Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een vennootschap die zich bezighoudt met de verhuur van bedrijfspanden geen materiële onderneming drijft. De werkzaamheden gaan de normale vermogensbeheeractiviteiten niet te boven, zodat de bedrijfsopvolgingsregeling niet van toepassing is.
Een man erft in 2016 alle aandelen in een vennootschap die in het bezit is van meerdere bedrijfspanden. De vennootschap heeft drie werknemers in dienst: de erflater zelf, zijn partner en een medewerker. De activiteiten bestaan uit verhuur, beheer en toezicht op de panden, administratieve taken en debiteurenbeheer. De erflater woont zelf op het terrein van de onroerende zaken. In de aangifte erfbelasting vragen de erfgenamen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) aan. De inspecteur weigert dit omdat de vennootschap naar zijn oordeel geen materiële onderneming drijft. In geschil is of de BOR van toepassing is.
Verhuurwerkzaamheden overstijgen normaal beheer niet
Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt het oordeel van rechtbank Gelderland. Voor toepassing van de BOR is vereist dat de vennootschap een materiële onderneming drijft. Bij exploitatie van onroerende zaken is dat alleen het geval als de arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft een rendement te behalen dat normaal vermogensbeheer te boven gaat. De verhuurwerkzaamheden, zoals opstellen van huurovereenkomsten, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud, vallen binnen het normale beheer van onroerende zaken. Van aan- en verkoop van vastgoed is in de periode 2012-2016 geen sprake. De opruimwerkzaamheden na faillissement van een huurder en het feit dat de erflater op het terrein woonde, maken dat niet anders.
Verbouwing door huurder niet toerekenbaar aan vennootschap
Belanghebbende voert aan dat verbouwingswerkzaamheden door een huurder – het aanbrengen van stoffering, tussenwanden en een airco – aan de vennootschap moeten worden toegerekend. Het hof verwerpt dit. De werkzaamheden zijn verricht door de huurder zelf en niet door of namens de vennootschap. De vennootschap heeft de investeringen ook niet geactiveerd op haar balans. Zelfs als de werkzaamheden al aan de vennootschap zouden worden toegerekend, gaat het om incidentele activiteiten die naar aard en omvang niet onmiskenbaar ten doel hebben een bovenmatig rendement te behalen. Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 35b en art. 35c SW 1956 en art. 3.2 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-05-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3418, 23/2564 | NDFR





Geef een reactie