De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet beslist op een verzoek om immateriële schadevergoeding. Toch krijgt de belastingplichtige geen vergoeding, omdat de redelijke termijn niet is overschreden.
Een belastingplichtige krijgt voor 2015 een aanslag ib/pvv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart zijn beroep ongegrond, maar kent wel een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. In hoger beroep vraagt de belastingplichtige opnieuw om vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure. Hof ’s-Hertogenbosch doet uitspraak zonder op dit verzoek te beslissen. In cassatie is in geschil of dit tot vernietiging van de hofuitspraak moet leiden.
Geen termijnoverschrijding
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek had moeten beoordelen. Dat helpt de belastingplichtige echter niet. De hogerberoepsfase loopt van 10 augustus 2022 tot 3 juli 2024 en blijft daarmee binnen de redelijke termijn van twee jaar. Ook in cassatie is die termijn niet overschreden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Wet: art. 8:73 Awb
Bron: Hoge Raad, 03-07-2026, ECLI:NL:HR:2026:1138, 24/03198 | NDFR





Geef een reactie