De Hoge Raad oordeelt dat schending van de toezendplicht in de Wet WOZ in beginsel leidt tot een proceskostenvergoeding. Dat de belastingplichtige ook zonder die schending zou hebben geprocedeerd, maakt dat niet anders.
Een belastingplichtige procedeert over een WOZ-beschikking en een aanslag onroerendezaakbelastingen voor 2021. In bezwaar vraagt hij de heffingsambtenaar om gegevens over correcties bij afwijkingen van gemiddelde waarderingsfactoren, zoals kwaliteit, onderhoud, voorzieningen en ligging. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de heffingsambtenaar die gegevens had moeten verstrekken, maar kent geen proceskostenvergoeding of griffierechtvergoeding toe. Volgens het hof zou de belastingplichtige ook zonder de schending hebben geprocedeerd.
Schending heeft gevolgen
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit verkeerd ziet. Een geslaagd beroep op schending van de toezendplicht leidt tot vergoeding van proceskosten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat de belastingplichtige ook zonder de schending beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld, is geen bijzondere omstandigheid. De Hoge Raad kent alsnog proceskosten- en griffierechtvergoedingen toe. Voor cassatie past hij de verlaagde WOZ-proceskostenregeling toe.
Wet: art. 40 Wet WOZ
Bron: Hoge Raad, 03-07-2026, ECLI:NL:HR:2026:1152, 24/03057 | NDFR





Geef een reactie