Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van een woning niet mag onderbouwen met alleen een geïndexeerde eerdere waarde en een afschrijvingscorrectie. Voor woningen moet de waarde worden bepaald met de vergelijkingsmethode.
Een man is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2014. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarden voor de belastingjaren 2022, 2023 en 2024 vast op respectievelijk € 532.000, € 597.000 en € 637.000. In beroep onderbouwt hij de waarderingen met taxatiematrices. Daarbij wordt telkens de waarde van het voorgaande jaar geïndexeerd naar de nieuwe waardepeildatum, waarna een vaste afschrijvingscorrectie wordt toegepast. Volgens de man leidt deze methode tot te hoge waarden. Hij bepleit voor alle drie de jaren een waarde van € 475.000. Rechtbank Zeeland-West-Brabant moet beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de vastgestelde WOZ-waarden niet te hoog zijn.
Vergelijkingsmethode moet worden gebruikt
De rechtbank verwerpt de gebruikte waarderingsmethode. Voor woningen schrijft de Wet WOZ in samenhang met de Uitvoeringsregeling voor dat de waarde wordt bepaald door systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Een berekening die alleen bestaat uit indexering van een eerdere waarde en een afschrijvingscorrectie past niet binnen die systematiek. De heffingsambtenaar maakt daarom niet aannemelijk dat de vastgestelde waarden niet te hoog zijn. Dat in een procedure over een eerder jaar anders is geoordeeld, verandert dit niet. De WOZ-waarde moet ieder jaar opnieuw worden vastgesteld.
Rechtbank stelt waarden zelf vast
De man maakt de door hem bepleite waarde van € 475.000 evenmin aannemelijk. Hij overlegt geen taxatierapport of andere controleerbare berekening. Omdat geen van beide partijen de eigen waardering aannemelijk maakt, stelt de rechtbank de waarden in goede justitie vast op € 510.000 voor 2022, € 517.000 voor 2023 en € 525.000 voor 2024. De aanslagen OZB worden overeenkomstig verminderd.




Geef een reactie