Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het 2%-tarief voor de overdrachtsbelasting niet geldt als een woning na slechts enkele dagen bewoning weer wordt verlaten. Dat de woning achteraf als miskoop wordt ervaren, is geen onvoorziene omstandigheid die toepassing van het lage tarief alsnog rechtvaardigt.
Een man koopt op 6 september 2022 een woning voor € 565.000, die op 1 december 2022 aan hem wordt geleverd. Hij verklaart dat hij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en voldoet daarom 2% overdrachtsbelasting. De man en zijn partner wonen echter slechts enkele dagen in de woning. Zij vinden de woning, met name de slaapvertrekken, kleiner en benauwder dan verwacht en ervaren verkeers- en omgevingsgeluid. Volgens de man leidt dit onder meer tot slaapproblemen en psychische klachten. Zijn partner stelt hem uiteindelijk voor de keuze de woning te verkopen of uit elkaar te gaan. De woning wordt in maart 2023 verkocht. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op, berekend naar het destijds geldende algemene tarief van 8%.
Enkele dagen bewoning onvoldoende
De rechtbank gelooft dat de man bij de verkrijging daadwerkelijk van plan was de woning duurzaam als hoofdverblijf te gebruiken. Die intentie alleen is echter onvoldoende. Aan het voornemen moet ook feitelijk uitvoering worden gegeven. Omdat de man en zijn partner slechts enkele dagen in de woning wonen, is geen sprake van gebruik anders dan tijdelijk als hoofdverblijf. Daarmee bestaat in beginsel geen recht op het 2%-tarief.
Kenmerken woning waren al kenbaar
Ook het beroep op onvoorziene omstandigheden slaagt niet. De omvang van de woning en het verkeersgeluid waren volgens de rechtbank bij de aankoop al aanwezig en kenbaar of hadden dat kunnen zijn. De man heeft bewust volstaan met één korte bezichtiging en zijn partner heeft de woning vooraf niet bekeken. Dat pas na de aankoop duidelijk wordt dat de woning niet bij hen past, komt daarom voor zijn rekening en risico. Ook de later ontstane klachten en het ultimatum van zijn partner maken dit niet anders. De rechtbank laat de naheffingsaanslag in stand.
Wet: art. 14 lid 2 en art. 15a lid 5 WBR
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-09-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9134, BRE 24/8353 | NDFR





Geef een reactie