Hof Amsterdam verklaart het incidentele hoger beroep van de inspecteur over de lijfrenteaftrek niet-ontvankelijk omdat het te laat is ingediend. De garagehouder krijgt echter geen extra lijfrenteaftrek vanwege de hogere stakingswinst.
Een man exploiteert jarenlang een garagebedrijf. Per 1 september 2017 brengt hij de onderneming ruisend in een later opgerichte bv in. Daarbij ontstaat € 704.296 aan stakingswinst en neemt de fiscale oudedagsreserve met € 46.434 af. In april 2018 sluit hij met de bv een lijfrenteovereenkomst met een koopsom van € 374.004. In zijn oorspronkelijke aangifte IB/PVV 2017 vermeldt hij de staking echter niet. Pas na het opleggen van de aanslag dient hij herziene aangiften in waarin hij de stakingswinst en de lijfrenteaftrek verwerkt. De inspecteur legt vervolgens een navorderingsaanslag op. Rechtbank Noord-Holland staat de aftrek van € 374.004 toe. In hoger beroep wil de man daarnaast extra lijfrenteaftrek vanwege een hogere stakingswinst. De inspecteur bestrijdt met incidenteel hoger beroep juist de al toegestane aftrek.
Herziene aangifte komt te laat
Het hof bevestigt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Voor die beoordeling is de oorspronkelijke aangifte bepalend, omdat beide herziene aangiften pas na het opleggen van de primitieve aanslag zijn ingediend. De inspecteur kon daarmee bij het vaststellen van die aanslag dus geen rekening houden. Door de staking en de aanzienlijke stakingswinst niet op te nemen, is zowel absoluut als relatief te weinig belasting aangegeven. De bewijslast wordt daarom omgekeerd en verzwaard.
Geen aanvullende lijfrenteaftrek
Voor de extra lijfrenteaftrek komt het hof tot een andere afweging dan de rechtbank. De feiten wijzen erop dat de ondernemer ten tijde van de inbreng al van plan was het garagebedrijf binnen afzienbare tijd af te bouwen en te staken. Zo was het bedrijfsvastgoed verkocht en teruggehuurd en halveerde de omzet in het laatste jaar. Bovendien staat de oprichtingsakte volgens het hof aan een verhoging van de lijfrente in de weg. De al door de rechtbank toegestane aftrek blijft wel in stand, omdat het incidentele hoger beroep van de inspecteur te laat is ingediend.
Wet: art. 3.126, art. 3.128 en art. 3.129 Wet IB 2001 en art. 27e AWR
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 30-06-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2134, 25/727 | NDFR





Geef een reactie