De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst heeft de vraag beantwoord op welke wijze het bedrag van de terugstorting van betaalde lijfrentepremies en/of – inleg na opzegging of ontbinding van een lijfrenteproduct in aanmerking wordt genomen onder de Wet rechtsherstel box 3 en de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023.
Tevens is het standpunt KG:202:2024:8, dat ziet op de geruisloze terugstorting van te veel betaalde premies voor een lijfrente in box 3, ingetrokken in verband met het vervallen van onderdeel 2.5 van het Verzamelbesluit lijfrenten en overige periodieke uitkeringen. Het nieuwe standpunt komt tot dezelfde uitkomst als het ingetrokken standpunt.
Naar aanleiding van de invoering van de herstelwetgeving (Wet rechtsherstel box 3) en de overbruggingswetgeving met betrekking tot hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001) komen diverse vragen op over de kwalificatie van vermogensbestanddelen, zoals het recht op terugbetaling van de betaalde lijfrentepremies en/of -inleg na opzegging van het lijfrenteproduct op grond van de (wettelijke) bedenktijd.
Vraag
Op welke wijze wordt het bedrag van premie(s) die vóór de peildatum in box 3 zijn betaald, maar door opzegging of ontbinding van een lijfrenteproduct na de peildatum in box 3 worden terug ontvangen, op de peildatum in aanmerking genomen onder de Wet rechtsherstel box 3 en de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023?
Antwoord
In geval van een terugbetaling van premie(s) wegens opzegging of ontbinding van een lijfrenteproduct, wordt – als voorwaarde van goedkeurend beleid – de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden. Wanneer de premiestorting heeft plaatsgevonden vóór de peildatum in box 3 en het bedrag na de peildatum in box 3 wordt teruggestort, wordt alsdan het teruggestorte bedrag als overige bezitting opgenomen in de rendementsgrondslag van box 3 van het betreffende kalenderjaar. Dit geldt zowel onder de Wet rechtsherstel box 3 als onder de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023.




Geef een reactie