Het kabinet wil zo snel mogelijk tot concrete en breed gedragen voorstellen voor box 3 komen, maar ziet dat de steun voor aanpassingen en de dekking daarvan sterk uiteenloopt. Minister Heinen en staatssecretaris Eerenberg leggen vier scenario’s voor en vragen om uitstel van de behandeling van de Wet werkelijk rendement box 3.
De aanpassing van het huidige box 3-stelsel is volgens het kabinet een complex vraagstuk. Sinds de invoering in 2001 wordt belasting geheven op basis van forfaits. Door arresten van de Hoge Raad moeten belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement de mogelijkheid krijgen dit aannemelijk te maken. Het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijs kent echter belangrijke nadelen en leidt tot een forse jaarlijkse budgettaire derving.
Met de Wet werkelijk rendement box 3 kan vanaf 2028 structureel belasting worden geheven over het werkelijke rendement. Kosten en verliezen kunnen worden verrekend en voor onroerende zaken geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor waardeontwikkeling pas bij realisatie wordt belast. Tijdens de parlementaire behandeling is echter kritiek geuit op met name de vermogensaanwassystematiek en de mogelijke gevolgen voor het investeringsklimaat.
Daarnaast wil het kabinet het nieuwe stelsel doorontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek. Daarbij ontstaat een budgettair dilemma: een vermogenswinstbelasting leidt in de eerste jaren tot forse derving doordat belasting pas bij realisatie wordt geheven, terwijl ook het langer voortzetten van de tegenbewijsregeling geld kost.
Vier mogelijke routes
Het kabinet beschrijft vier scenario’s. Scenario 1 bevat verbeteringen aan het bestaande wetsvoorstel, waaronder een carry-back, een lagere belastingdruk en verbeteringen voor mensen die te maken hebben met levensgebeurtenissen zoals huwelijk of scheiding. Ook kan duurzaam beleggen worden gestimuleerd en is een wetsvoorstel uitgewerkt om de behandeling van start- en scale-ups te verbeteren. De fundamentele bezwaren tegen een vermogensaanwasbelasting worden hiermee niet weggenomen.
In scenario 2 wordt de Wet werkelijk rendement box 3 vanaf 2028 als tussenstap ingevoerd, waarna in 2030 een volledige vermogenswinstbelasting kan volgen. Scenario 3 trekt het wetsvoorstel juist in. Het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijs blijft dan tot 2030 bestaan. Deze route kent de hoogste cumulatieve budgettaire derving.
Scenario 4 breidt de vermogenswinstbelasting al vanaf 2028 uit naar alle financiële instrumenten. Daarmee valt circa 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder een vermogenswinstbelasting. Deze snelle route doet volgens het kabinet echter een groot beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen en heeft ingrijpende gevolgen voor de uitvoerbaarheid en handhaving.
Breed politiek draagvlak nodig
Alle oplossingsrichtingen gaan gepaard met een aanzienlijke budgettaire derving die volgens de begrotingsregels moet worden gedekt. Ook ieder jaar dat de tegenbewijsregeling langer blijft bestaan, heeft budgettaire gevolgen.
Het kabinet benadrukt daarom dat een wijziging van box 3 om een zorgvuldige afweging en breed politiek draagvlak vraagt. Het wil met de Kamer bespreken waar overeenstemming kan worden gevonden en wat nodig is voor een breed gedragen voorstel. De Eerste Kamer wordt gevraagd de behandeling van de Wet werkelijk rendement box 3 voorlopig aan te houden.
Bron: Kamerbrief voortgang box 3, Ministerie van Financien, 16 september 2026




Geef een reactie