Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat bij de waardering van een overbedelingsschuld in een nalatenschap moet worden aangesloten bij de aangifte erfbelasting van de nalatenschap van de vader, in plaats van bij de schattingen van de man of de inspecteur.
Een man gaat in 1991 een maatschap aan met zijn vader. Na het overlijden van de vader in 2013 wordt destijds geen aangifte erfbelasting ingediend, waarna de inspecteur ambtshalve aanslagen oplegt. In een eerdere procedure bij rechtbank Oost-Brabant wordt geoordeeld dat de onroerende zaken zijn ingebracht in de maatschap en dat de maatschap in 2013 is ontbonden. Via een vaststellingsovereenkomst ontvangen de overige erfgenamen samen € 180.000 en komt het restant van de nalatenschappen toe aan de man. In 2018 overlijdt ook de moeder van de man. Voor deze verkrijging legt de inspecteur de man een aanslag erfbelasting op. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de overbedelingsschuld van de moeder aan de erfgenamen in verband met de nalatenschap van de vader.
Schattingen bieden geen houvast
De rechtbank overweegt dat de nalatenschap moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer op het moment van de verkrijging. Overbedelingsvorderingen moeten daarbij worden gewaardeerd naar de werkelijke, civielrechtelijke waarde. Het bedrag van € 268.405 dat de man voorstaat, is gebaseerd op de geschatte bedragen die de inspecteur destijds ambtshalve hanteerde bij het opleggen van de aanslagen over de nalatenschap van de vader en biedt daarom geen goede maatstaf. Ook het bedrag van € 112.500 dat de inspecteur voorstaat, berust op een schatting: bij gebrek aan informatie gaat de inspecteur ervan uit dat de helft van het bedrag uit de vaststellingsovereenkomst van € 180.000 toerekenbaar is aan de nalatenschap van de vader. Beide bedragen zijn volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Aangifte geeft beste indicatie
De rechtbank sluit aan bij het bedrag van € 193.960 dat volgt uit de aangifte erfbelasting die op 27 november 2024 namens de overige erfgenamen van de vader is ingediend. Weliswaar ontbreekt een nadere onderbouwing van dit bedrag en is niet zeker of de inspecteur de aangifte zal volgen, maar dit bedrag geeft volgens de rechtbank een betere indicatie van de werkelijke waarde van de overbedelingsschuld dan de schattingen van partijen. De rechtbank weegt mee dat de man niet betrokken was bij deze aangifte en er dus geen belang bij had. Andere concrete gegevens over de werkelijke waarde van de nalatenschap van de vader zijn er niet. De belaste verkrijging komt hiermee uit op € 27.739. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag erfbelasting dienovereenkomstig.
Wet: art. 21 Successiewet 1956
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-07-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6742, BRE 24/7297 | NDFR
Basiscursus Estate planning | PE Accreditatie
In een dag alle aspecten van estate planning
Maak kennis met de estate planning en weet hoe je jouw client civiel en fiscaal bij kunt staan.
In deze basiscursus worden alle relevante aspecten van de estate planning (schenking, huwelijkse voorwaarden, testament, levensverzekeringen, internationaal) vanuit zowel een civielrechtelijk als fiscaal perspectief behandeld.
De cursus biedt de mogelijkheid om kennis te maken met het ‘denken’ als estate planner, en is een uitstekende voorbereiding op de Specialisatieopleiding Estate planning.





Geef een reactie