In welke gevallen mogen fiscale partners de verdeling van hun gezamenlijke grondslag sparen en beleggen (box 3) nog wijzigen?
Mr. Cindy van de Luijtgaarden-Braat en mr. Linda Jorissen bespreken in een artikel in Vakblad Estate Planning de problematiek rondom de toedeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen fiscale partners. Aanleiding is het inmiddels ingetrokken kennisgroepstandpunt KG:202:2024:28 ‘Toerekening bij navordering box 3’. Daarin stelt de kennisgroep dat fiscale partners bij navordering van te veel verleend rechtsherstel box 3 geen nieuwe toedeling kunnen kiezen als hun aanslagen reeds onherroepelijk vaststaan en de navordering de omvang van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen niet wijzigt.
Op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 mogen fiscale partners de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen aan elkaar toedelen in de verhouding die zij kiezen. Deze verhouding kan in beginsel worden gewijzigd totdat de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan. Het artikel bespreekt drie situaties waarin wijziging daarna aan de orde kan komen: massaal bezwaar, achterwaartse verliesverrekening en navordering.
Bij massaal bezwaar heeft de Hoge Raad geoordeeld dat fiscale partners op basis van een redelijke wetstoepassing hun gekozen verdeling nog kunnen wijzigen tot zes weken nadat voldoende duidelijkheid bestaat over de cijfermatige gevolgen. Om uitvoerbaarheidsredenen begint deze termijn wanneer de inspecteur de aanslag ter uitwerking van de collectieve uitspraak heeft verminderd.
Bij achterwaartse verliesverrekening kiest de Hoge Raad voor een striktere benadering. Het feit dat een eerder gekozen verdeling door achterwaartse verliesverrekening nadelig blijkt uit te pakken voor bijvoorbeeld de benutting van heffingskortingen, vormt geen bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat de formele wet buiten toepassing wordt gelaten. De wetgever is niet verplicht alle nadelige gevolgen van inkomensschommelingen weg te nemen.
Bij navordering onderscheiden de auteurs twee situaties: navordering over posten die al eerder in een definitieve aanslag zijn begrepen (Situatie A) en navordering over posten die daarin nog niet waren begrepen (Situatie B). Voor Situatie B stond al vast dat wijziging mogelijk is. Inmiddels heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook in Situatie A de onderlinge verhouding alsnog mag worden gewijzigd. De wettekst van artikel 2.17 lid 4 Wet IB 2001 is volgens de auteurs op dit punt duidelijk. Daarmee wordt het kennisgroepstandpunt naar hun oordeel ‘overruled’.
De auteurs achten deze uitkomst wenselijk: er ontstaat één eenduidige lijn voor navordering. Zowel in Situatie A als Situatie B is wijziging van de onderlinge verhouding mogelijk. Inmiddels is het betreffende kennisgroepstandpunt ingetrokken.
Cindy van de Luijtgaarden-Braat en Linda Jorissen zijn werkzaam bij het Private Client Services team van Deloitte.
Het volledige artikel is te lezen in Vakblad Estate Planning. Nog geen abonnee? Met een abonnement voor 3 nummers kun je voordelig kennismaken!





Geef een reactie