Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur na een intern HOT/HOR-bericht alsnog mag navorderen over het werkelijk rendement in box 3.
De man dient over 2020 een aangifte IB/PVV in met loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking, resultaat uit overige werkzaamheden en inkomen uit sparen en beleggen. Zijn (voormalig) adviseur valt onder een convenant horizontaal toezicht met de Belastingdienst. De aangifte wordt uitgeworpen omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking afwijkt van de renseignementen; de inspecteur belt hierover met de adviseur en corrigeert de aangifte handmatig, waarna hij de aanslag oplegt. Pas vóór uitbetaling ontvangt de inspecteur intern een HOT/HOR-bericht en ontdekt hij dat de man een fictieve schuld van € 25.264.675 heeft opgevoerd wegens ‘vermindering vermogen ivm heffing over werkelijk rendement’, waardoor het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen slechts € 1.789 bedraagt. De inspecteur legt een navorderingsaanslag en een vergrijpboete op. In geschil is of hiervoor een nieuw feit bestaat en of de boete terecht is.
Geen ambtelijk verzuim
Volgens de man had de inspecteur bij de uitworp van de aangifte ook het inkomen uit sparen en beleggen moeten controleren, zodat geen sprake is van een nieuw feit. De rechtbank volgt dit niet. Onder het convenant mag de Belastingdienst uitgaan van de juistheid van een aangifte die door de aangesloten adviseur wordt ingediend en hoeft alleen navraag te worden gedaan naar het onderdeel waarvoor de aangifte is uitgeworpen. Nu de adviseur zelf geen contact heeft opgenomen over het werkelijk rendement, hoefde de inspecteur niet te twijfelen aan de juistheid van dat onderdeel. Het HOT/HOR-bericht dat pas na het opleggen van de aanslag binnenkomt, vormt daarom een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Grove schuld
De rechtbank beoordeelt alleen of grove schuld is aangetoond, omdat de inspecteur de kwalificatie bij de uitspraak op bezwaar al heeft gewijzigd van opzet naar grove schuld. Uit de feiten blijkt dat de man zelf zijn adviseur heeft gevraagd om de aangifte te baseren op het werkelijk rendement, terwijl het aangiftebiljet daar geen ruimte voor bood. De adviseur verwerkt dit verzoek met een fictieve schuld, en het aangegeven voordeel (€ 1.789) wijkt sterk af van het uiteindelijk vastgestelde bedrag (€ 225.776). Omdat de man niet heeft gecontroleerd hoe zijn adviseur dit verzoek had uitgevoerd, is sprake van grove schuld en is de boete van € 20.000 terecht opgelegd. Wel matigt de rechtbank de boete ambtshalve met 10% tot € 18.000, omdat de redelijke termijn met negen maanden is overschreden.
Wet: art. 16 en art. 67e AWR
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07-08-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7357, BRE 25/3397 | NDFR





Geef een reactie