Rechtbank Den Haag oordeelt dat een man en zijn fiscale partner de verdeling van hun gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over 2017 alsnog kunnen wijzigen, ook al staat de aanslag van de partner al onherroepelijk vast.
Een man en zijn partner doen aangifte IB/PVV 2017 met een gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van 514.833. De man geeft daarvan zelf een aandeel van 284.258 aan. De aanslag van de partner staat al op 7 mei 2018 onherroepelijk vast. De inspecteur legt de man vervolgens een aanslag op naar een aandeel in de grondslag van 291.837. De man maakt bezwaar, trekt het individuele deel daarvan in en het overige bezwaar loopt mee in de massaalbezwaarprocedure over box 3 voor 2017. De staatssecretaris verklaart deze bezwaren op 4 februari 2022 gegrond. Als rechtsherstel ontvangt de man een verminderingsbeschikking, nog steeds op basis van een aandeel van 291.837. De man en de partner verzoeken daarna om de verdeling te wijzigen naar een aandeel van 49.330 voor de man. De inspecteur wijst dit af. In geschil is of de verdeling na de collectieve uitspraak nog gewijzigd kan worden.
Hoge Raad staat wijziging verdeling toe
De rechtbank had de Hoge Raad hierover eerder prejudiciële vragen gesteld. De Hoge Raad oordeelt op 27 maart 2026 dat een belastingplichtige van wie de aanslag onherroepelijk is geworden door een collectieve uitspraak als bedoeld in art. 25e AWR, de verdeling met zijn fiscale partner nog kan wijzigen. Dit kan tot zes weken nadat de inspecteur de aanslag ter uitwerking van die collectieve uitspraak heeft verminderd, mits de inspecteur ten aanzien van de aangewezen rechtsvraag geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. De inspecteur volgt dit oordeel en de man verzet zich er niet tegen, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaart. Het aandeel van de man in de grondslag wordt vastgesteld op 49.330 en dat van de partner op 465.507. De aanslag IB/PVV 2017 van de man wordt dienovereenkomstig verminderd en de inspecteur moet het griffierecht van 50 aan hem vergoeden.
Wet: art. 2.17 Wet IB 2001 en art. 25e AWR
Bron: Rechtbank Den Haag, 02-06-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15458, AWB – 23 _ 4225 | NDFR





Geef een reactie