De Hoge Raad vraagt het HvJ of de Nederlandse volgorde bij verrekening van buitenlandse bronbelasting in strijd is met het vrije kapitaalverkeer. Door deze volgorde kan een belastingplichtige heffingskortingen verliezen bij beleggingen in buitenlandse aandelen.
Een man woont in 2017 en 2018 in Nederland en bezit aandelen in een Belgische vennootschap. In 2017 ontvangt hij € 21.150 dividend waarop 30% Belgische bronbelasting wordt ingehouden. Voor € 3.173 bestaat recht op voorkoming van dubbele belasting. Omdat zijn box 3-inkomen in 2017 nihil is, wordt dit bedrag doorgeschoven naar 2018. In dat jaar bedraagt zijn box 3-belasting € 3.266. Eerst wordt de € 3.173 buitenlandse bronbelasting verrekend, waarna € 93 resteert. Hoewel de man recht heeft op € 2.396 aan heffingskortingen, kan hij daardoor slechts € 93 benutten. Hij stelt dat deze volgorde hem benadeelt ten opzichte van iemand die in Nederlandse aandelen belegt.
Buitenlandse bronbelasting geen voorheffing
De Hoge Raad oordeelt dat buitenlandse bronbelasting niet gelijkgesteld kan worden met Nederlandse dividendbelasting. Buitenlandse bronbelasting is geen voorheffing op de Nederlandse inkomstenbelasting en hoeft daarom niet te worden uitbetaald als onvoldoende Nederlandse inkomstenbelasting beschikbaar is voor verrekening. Het Unierecht verplicht lidstaten evenmin om buitenlandse bronbelasting onbeperkt te verrekenen. Ook het EVRM leidt op dit punt niet tot een ander oordeel. De vermindering ter voorkoming van dubbele belasting mag dus worden begrensd tot de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting.
Vraag over verlies heffingskortingen
Wel ziet de Hoge Raad een probleem bij het verlies van heffingskortingen. De verrekening van buitenlandse bronbelasting gaat vóór de heffingskortingen. Niet-benutte buitenlandse bronbelasting kan worden doorgeschoven, terwijl niet-benutte heffingskortingen definitief verloren gaan. Hierdoor wordt beleggen in buitenlandse aandelen minder aantrekkelijk dan beleggen in Nederlandse aandelen en ontstaat een belemmering van het vrije kapitaalverkeer. De Hoge Raad betwijfelt of praktische en administratieve redenen deze belemmering kunnen rechtvaardigen. Omdat twijfel bestaat of de belemmering van het vrije kapitaalverkeer kan worden gerechtvaardigd, legt de Hoge Raad hierover een prejudiciële vraag voor aan het HvJ. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het HvJ uitspraak heeft gedaan.
Wet: art. 2.7, 8.8 en 9.2 Wet IB 2001, art. 23 Verdrag NL-BE, art. 25 en art. 25 Bvdb 2001 en art. 63 VWEU
Bron: Hoge Raad, 04-09-2026, ECLI:NL:HR:2026:1417, 23/01387 | NDFR






Geef een reactie