Hof Den Haag oordeelt dat de totale vergoedingen voor verschillende kredietfaciliteiten binnen een concern te hoog zijn. Bij de beoordeling van de zakelijke rente mag worden uitgegaan van de totale kosten van de faciliteit en van marktgegevens die bij het aangaan van de financiering beschikbaar waren.
Een bv maakt binnen een internationaal concern gebruik van verschillende kredietfaciliteiten. Over opgenomen bedragen betaalt zij rente en daarnaast betaalt zij commitment fees over de kredietfaciliteiten. De inspecteur vindt de in aftrek gebrachte financieringskosten te hoog en corrigeert de aangiften vennootschapsbelasting over de boekjaren 2012/2013 tot en met 2016/2017. Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag welke vergoedingen tussen onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. Het hof oordeelde eerder al dat de totale kosten per kredietfaciliteit moeten worden beoordeeld. Daarbij moeten de rente en commitment fees gezamenlijk worden omgerekend naar één renteopslag.
Totale kosten bepalen zakelijke rente
Het hof houdt vast aan een beoordeling vooraf, op het moment waarop de kredietfaciliteit wordt aangegaan. Daarbij mogen forward rates worden gebruikt om de verwachte ontwikkeling van de variabele rente in te schatten. Een beoordeling achteraf aan de hand van de werkelijke renteontwikkeling zou volgens het hof neerkomen op ongewenst gebruik van kennis achteraf. Voor de vergelijking met onafhankelijke partijen gebruikt het hof geschikte vergelijkbare financieringstransacties. Bij een klein aantal goede vergelijkingen geldt de voor de bv meest gunstige rente als bovengrens van de zakelijke bandbreedte.
Meeste verrekenprijscorrecties blijven staan
Voor drie kredietfaciliteiten en een afzonderlijke faciliteit blijven de correcties grotendeels in stand. Voor één faciliteit vervalt de correctie volledig en voor een andere wordt deze beperkt. Het hof oordeelt bovendien dat de bv niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Haar verrekenprijsdocumentatie vertoonde belangrijke gebreken en zij had zich bewust moeten zijn van de onzakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Daarom wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Uiteindelijk blijven de door de inspecteur voorgestane correcties voor drie faciliteiten staan, wordt één correctie beperkt en vervalt die voor een andere faciliteit.
Wet: art. 8b Wet Vpb 1969





Geef een reactie