Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat een bv een prestatievergoeding van € 700.000 niet van haar winst mag aftrekken. De bv maakt niet aannemelijk dat tegenover de betaling daadwerkelijk werkzaamheden of andere zakelijke prestaties staan.
Een bv koopt in 2005 een rijksmonument en verbouwt dit tot een horecaruimte met vier bovenwoningen. Na de verbouwing exploiteert zij het pand door verhuur. In maart 2022 verkoopt en levert de bv het pand aan een derde. In haar aangifte vennootschapsbelasting 2022 brengt zij € 796.365 aan kosten in aftrek. De inspecteur corrigeert daarvan € 700.000. Volgens de bv betreft dit een prestatievergoeding dan wel aanvullende managementvergoeding aan twee gelieerde vennootschappen. Na de aankoop van het pand zouden mondeling afspraken zijn gemaakt over een vergoeding voor werkzaamheden rond de verbouwing, renovatie en uiteindelijke verkoop. Deze afspraken zijn pas na de verkoop in 2022 schriftelijk vastgelegd. In geschil is of de € 700.000 aftrekbaar is.
Geen reële tegenprestatie aangetoond
De rechtbank stelt voorop dat de bv aannemelijk moet maken dat tegenover de kosten een tegenprestatie staat of dat zij zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Daarin slaagt zij niet. Het blijft onduidelijk welke concrete werkzaamheden zijn verricht, door wie en wanneer. Ook ontbreekt objectief bewijs uit de periode waarin de afspraken zouden zijn gemaakt. Het document uit november 2022 is pas na de verkoop van het pand opgesteld en de daarin opgenomen uren en tarieven zijn niet met objectieve gegevens onderbouwd. Dat mondelinge afspraken rechtsgeldig zijn en in de vastgoedbranche gebruikelijk zouden zijn, is onvoldoende. Ook de fiscale behandeling van de vergoeding bij de ontvangende vennootschappen is niet bepalend voor de aftrek bij de bv. De inspecteur heeft de € 700.000 daarom terecht gecorrigeerd.
Wet: art. 8 Wet Vpb 1969 en art. 3.8 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 26-05-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6295, 25/4770 | NDFR





Geef een reactie