Het kabinet wil met de nieuwe Zelfstandigenwet duidelijker maken wanneer iemand in ieder geval als zelfstandige kan werken. Het wetsvoorstel, dat nu als concept voor internetconsultatie voorligt, moet onzekerheid over arbeidsrelaties verminderen, schijnzelfstandigheid tegengaan en ondernemerschap een expliciete plek geven bij de beoordeling van arbeidsrelaties.
Artikel 7:610 BW over de arbeidsovereenkomst wordt aangevuld met twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Voldoet een arbeidsrelatie aan alle criteria van beide toetsen, dan staat vast dat geen sprake is van gezag en daarmee ook niet van een arbeidsovereenkomst. Wordt niet aan alle voorwaarden voldaan, dan betekent dat niet automatisch dat iemand werknemer is. De arbeidsrelatie moet dan, net als nu, worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden volgens artikel 7:610 BW.
Zelfstandigentoets
De zelfstandigentoets kijkt naar de werkende zelf en bevat drie hoofdcriteria. Een zelfstandige moet in het lopende en voorgaande kalenderjaar in totaal minimaal drie opdrachtgevers hebben gehad. Daarnaast moet hij een nog vast te stellen minimumbedrag besteden aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. Daarbij kan worden gedacht aan een arbeidsongeschiktheidsvoorziening, pensioen, een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering of zakelijke rechtsbijstand. Het minimumbedrag wordt later bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
Verder moet de zelfstandige zijn bedrijfsvoering op orde hebben. Het kabinet denkt onder meer aan een KvK-inschrijving, een btw-identificatienummer, een aparte rekening voor zakelijke transacties, eigen facturering en het hanteren van betalingstermijnen. De precieze voorwaarden volgen eveneens in lagere regelgeving.
Werkrelatietoets
De werkrelatietoets beoordeelt vervolgens de concrete opdracht. Hiervoor gelden vier criteria: beide partijen willen buiten dienstbetrekking werken, de zelfstandige heeft vrijheid bij de organisatie van het werk, kan in beginsel zelf werktijden en werkplek bepalen en werkt voor eigen rekening en risico.
Vooral dat laatste criterium kan gevolgen hebben voor de manier waarop opdrachten worden ingericht. Een zelfstandige moet economische baten kunnen genieten én financiële risico’s dragen. Uitsluitend per uur betaald werk waarbij geen noemenswaardig ondernemersrisico bestaat, past volgens de toelichting moeilijk bij dit criterium. Een concrete resultaatsverantwoordelijkheid tegen een vooraf bepaalde vergoeding kan daar juist wel bij passen.
De feitelijke uitvoering blijft doorslaggevend: ‘wezen gaat voor schijn’. Afspraken op papier zijn dus onvoldoende wanneer in de praktijk anders wordt gewerkt.
De Zelfstandigenwet wijzigt het fiscale ondernemersbegrip niet. Iemand die volgens de nieuwe toetsen arbeidsrechtelijk als zelfstandige kan werken, is daarmee niet automatisch ondernemer voor de inkomsten- of omzetbelasting. Ook blijven de regels voor fictieve dienstbetrekkingen bestaan.
Het kabinet onderzoekt ten slotte een vrijwillige derdenverklaring, bijvoorbeeld van een belastingadviseur of accountant, waarmee een zelfstandige kan onderbouwen dat hij aan de zelfstandigentoets voldoet. Zo’n verklaring krijgt geen wettelijke of bindende status.
De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2028, mits het voorstel uitvoerbaar is. Er komt geen overgangsrecht: de regels krijgen direct werking voor zowel bestaande als nieuwe arbeidsrelaties.
De internetconsultatie staat open tot en met 29 oktober 2026.





Geef een reactie