Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat hypothecaire geldleningen aan familieleden voor het rechtsherstel box 3 geen banktegoeden zijn. De vorderingen behoren tot de overige bezittingen.
Een vrouw geeft in haar aangifte IB/PVV 2021 ruim € 1,5 miljoen aan bezittingen in box 3 aan. Daaronder vallen drie vorderingen van in totaal € 362.823. Twee daarvan zijn hypothecaire geldleningen aan haar kinderen voor de aankoop van een woning en één lening is verstrekt aan een voormalig familielid. Over de vorderingen ontvangt zij 2,5% rente. Bij het vaststellen van de aanslag past de inspecteur de Wet rechtsherstel box 3 toe en behandelt hij de vorderingen als overige bezittingen. De vrouw vindt dat de vorderingen vanwege onder meer het lage risico, de hypothecaire zekerheid en de regelmatige rente-inkomsten als banktegoeden moeten worden behandeld. Daarnaast vraagt zij om nader rechtsherstel.
Vorderingen zijn geen deposito’s
Het hof oordeelt dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een deposito in de Wet op het financieel toezicht. Zij kunnen daarom voor de Wet rechtsherstel box 3 niet als banktegoeden worden aangemerkt. De wetgever heeft voor het begrip banktegoed bewust aangesloten bij deze definitie. Ook is geen sprake van verboden discriminatie. Bij particuliere vorderingen bestaat onderhandelingsruimte over onder meer rente, looptijd, aflossing en zekerheden. Daarmee verschillen zij wezenlijk van banktegoeden. De vorderingen zijn dus terecht als overige bezittingen aangemerkt.
Geen bewijs voor lager werkelijk rendement
Voor aanvullend rechtsherstel moet de vrouw aannemelijk maken dat het forfaitair berekende box 3-inkomen hoger is dan haar werkelijke rendement. Dat doet zij niet. Zij geeft namelijk geen inzicht in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat het werkelijke rendement over haar gehele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het hof oordeelt daarom dat de aanslag juist is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Wet: art. 5.3 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5874, 25/893 | NDFR





Geef een reactie