Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de winsten van drie bv’s redelijk heeft geschat aan de hand van de bijschrijvingen op hun bankrekeningen. De gestelde contante inkoopkosten zijn grotendeels niet aannemelijk gemaakt door het ontbreken van een betrouwbare administratie.
Drie bv’s handelen in emballagegoederen en gebruikte auto’s. Uit boekenonderzoeken blijkt dat de administraties ernstige gebreken vertonen. Zo ontbreken onder meer kasadministraties, bankafschriften en diverse in- en verkoopfacturen. Twee bv’s geven een belastbare winst van nihil aan en één bv doet ondanks een aanmaning geen tijdige aangifte Vpb. De inspecteur stelt de belastbare winsten daarom vast aan de hand van bijschrijvingen op de bankrekeningen. De bv’s stellen dat daarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met aanzienlijke inkoopkosten. Zij zouden grote partijen emballage voornamelijk contant hebben ingekocht en stellen dat in deze handel een brutowinstmarge van minder dan 10% gebruikelijk is. In geschil is of de winstcorrecties berusten op een redelijke schatting.
Bewijslast terecht omgekeerd
De rechtbank stelt vast dat de administraties zulke ernstige gebreken bevatten dat zij niet als basis voor de winstberekening kunnen dienen. Ook zijn aanzienlijke bedragen aan winst niet aangegeven. Daarom is de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De bv’s moeten overtuigend aantonen dat de aanslagen te hoog zijn. Daarin slagen zij grotendeels niet. Voor de gestelde contante inkopen ontbreken facturen en een kasadministratie. Ook kunnen de bv’s geen concrete en controleerbare informatie geven over leveranciers. Dat grote hoeveelheden goederen contant zouden zijn gekocht zonder facturen acht de rechtbank ongeloofwaardig. Alleen voor één bv is voor € 6.000 aan inkoopkosten overtuigend aangetoond dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt.
Bankbijschrijvingen geven redelijke schatting
De inspecteur mag volgens de rechtbank de bankbijschrijvingen als uitgangspunt nemen. Door de gebrekkige administratie beschikt hij nauwelijks over andere objectieve gegevens. Bovendien zijn contante opbrengsten uit de handel in emballage en auto’s niet meegenomen, terwijl aanwijzingen bestaan dat die wel zijn genoten. De schatting is daardoor eerder te laag dan te hoog. De algemene stelling dat in de emballagehandel lage winstmarges gebruikelijk zijn, maakt de schatting niet willekeurig. De beroepen van twee bv’s zijn ongegrond. Bij de derde bv wordt vanwege de aangetoonde inkoopkosten de belastbare winst verminderd van € 278.240 naar € 272.240.
Wet: art. 8 Wet Vpb 1969





Geef een reactie