De staatssecretaris van Financiën heeft naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2026 beleid gepubliceerd over de fiscale behandeling van uitkeringen van de Deutsche Rentenversicherung (DRV). Het besluit werkt uit wanneer een DRV-aanspraak in box 1 dan wel box 3 valt en bevat praktische goedkeuringen voor de waardering en bewijsvoering.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat DRV-uitkeringen worden beheerst door artikel 3.82, onderdeel b, Wet IB 2001. Bepalend is in hoeverre de aanspraak tijdens de opbouw al in een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare heffing is betrokken. Het werkgeversdeel van de Duitse DRV-premies behoorde niet tot het loon. Werknemerspremies waren daarentegen in wisselende mate aftrekbaar. Sinds 2023 zijn deze volledig aftrekbaar. Hierdoor moet een DRV-aanspraak veelal worden gesplitst.
Voor zover werknemerspremies niet aftrekbaar waren en de aanspraak dus belast is opgebouwd, is de latere uitkering niet belast in box 1. De waarde van dit deel van de aanspraak behoort echter tot box 3, zowel tijdens de opbouw- als de uitkeringsfase. Dit vermogen telt ook mee voor vermogenstoetsen bij inkomensafhankelijke regelingen, zoals huur- en zorgtoeslag. Voor belastingplichtigen met een partner keurt de staatssecretaris goed dat de box 3-waarde wordt berekend alsof geen partner aanwezig is.
De bewijslast voor de verdeling tussen box 1 en box 3 rust in beginsel op de belastingplichtige. Omdat historische gegevens vaak ontbreken, mag onder voorwaarden worden aangesloten bij het Duitse Kohortenprinzip. Een tabel bepaalt aan de hand van het ingangsjaar welk percentage in box 1 belastbaar is. De belastingplichtige mag met bewijsstukken een afwijkende werkelijke verdeling aannemelijk maken.
Belastingplichtigen hebben bovendien voorlopig een keuze. Zolang het oude beleidsstandpunt niet is ingetrokken, kunnen zij de DRV-aanspraak volledig in box 1 blijven behandelen. Zij kunnen ook voor de nieuwe splitsing tussen box 1 en box 3 kiezen. Die laatste mogelijkheid geldt alleen voor aanslagen die op 19 juni 2026 nog niet onherroepelijk vaststonden.
De afzonderlijk betaalde Zuschuss voor Nederlandse zorgpremies blijft volledig belast in box 1. Het besluit verandert niets aan de toepassing van het belastingverdrag met Duitsland.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 8 oktober 2026.
Bron: Besluit van 5 oktober 2026, nr. 2026-17749, Ministerie van Financiën, Stcrt. 2026, 34337





Geef een reactie