Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een premievrije beleggingspolis die volledig is belegd op een kapitaalmarktrente-rekening geen banktegoed is voor de Wet rechtsherstel box 3. De vrouw krijgt wel rechtsherstel op basis van het werkelijk behaalde rendement.
De echtgenoot van een vrouw sluit in 1997 een beleggingspolis af. De polis is later verlengd tot 2027 en sinds 2017 premievrij. Het vermogen is op 1 januari 2020 volledig belegd in een zogenoemde Kapitaalmarktrente Rekening Oud. De waarde van de polis bedraagt dan € 1.148.698. Deze renterekening staat op naam van ABN AMRO Levensverzekering en wordt bij ABN AMRO Bank aangehouden. De vrouw stelt dat de rekening feitelijk als een gewone spaarrekening functioneert en daarom voor het rechtsherstel in box 3 als banktegoed moet worden behandeld. In geschil is daardoor welk forfaitair rendement op de waarde van de polis moet worden toegepast.
Polis blijft overige bezitting
Het hof kijkt naar de voorwaarden en de feitelijke afwikkeling van de polis. Dat de echtgenoten de rekening zelf als een bankrekening ervaren, is niet doorslaggevend. Door het premievrij maken is de verzekering niet beëindigd. De kapitaalmarktrente-rekening staat bovendien niet op naam van de echtgenoot maar op naam van de verzekeraar. Ook kan de echtgenoot niet rechtstreeks geld van de rekening opnemen. Daarvoor moet hij een verzoek indienen bij de verzekeraar, die een opname verwerkt als gedeeltelijke afkoop van de verzekering. De bank heeft daardoor geen rechtstreekse terugbetalingsverplichting tegenover de echtgenoot. De polis voldoet dus niet aan de wettelijke definitie van een deposito en kwalificeert niet als banktegoed.
Rechtsherstel naar werkelijk rendement
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot kwalificatie als banktegoed. Dat bepaalde andere vermogensrechten inmiddels wel als banktegoed worden behandeld, helpt de vrouw niet voor 2020. Die wetswijziging werkt slechts terug tot 1 januari 2023. Wel staat tussen partijen vast dat het forfaitaire box 3-inkomen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Daarom biedt het hof rechtsherstel door uit te gaan van het werkelijke rendement. Het totale werkelijke rendement bedraagt € 46.101. Op basis van de gekozen verdeling tussen de echtgenoten stelt het hof het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van de vrouw vast op € 22.660.
Wet: art. 5.3 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6023, 25/2466 | NDFR





Geef een reactie