Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur het niet in de inkomstenbelasting gecorrigeerde gebruikelijk loon alsnog via de loonheffingen mag naheffen. De vergrijpboete wordt wel verlaagd van € 6.027 naar € 1.500.
Een broer en zus houden ieder 50% van de aandelen in een bv. De broer is bestuurder en verricht transport- en chauffeurswerkzaamheden. Voor de eerste 50 uur per week ontvangt hij loon van de bv. Meeruren factureert hij via zijn eenmanszaak aan een dochter-bv. In 2020 ontvangt hij € 22.667 loon en € 23.446 via zijn eenmanszaak. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur het gebruikelijk loon vast op € 46.000 en legt hij een naheffingsaanslag loonheffingen op over € 23.333. In geschil is onder meer of de inspecteur nog mag naheffen nu het gebruikelijk loon niet in de inkomstenbelasting van de broer is gecorrigeerd.
Naheffing gebruikelijk loon toegestaan
Het hof oordeelt dat de inspecteur in beginsel mag kiezen tussen naheffing bij de inhoudingsplichtige en correctie in de inkomstenbelasting. Voor naheffing is geen nieuw feit nodig. Van een ambtelijk verzuim is geen sprake, omdat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte. Hij hoefde niet te twijfelen aan het daarin opgenomen loon. Dat eerder geen correctie in de inkomstenbelasting is aangebracht, verhindert de naheffing daarom niet.
Boete verlaagd
Ook het beroep op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet. Het hof acht aannemelijk dat de werkzaamheden uitsluitend om fiscale redenen zijn verdeeld tussen loon en facturering via de eenmanszaak. De vergrijpboete is daarom terecht opgelegd. Omdat het bedrag aan te weinig geheven belasting in verhouding beperkt is, verlaagt het hof de boete naar € 1.500.
Wet: art. 16 lid en art. 67f AWR; art. 12a en art. 28a lid 2 Wet LB 1964
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 22-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1945, 24/1696 | NDFR





Geef een reactie