Rechtbank Gelderland oordeelt dat door liquidatie van een bv het daarin ondergebrachte pensioen en stamrecht zijn prijsgegeven. Voor zover de aanspraken voor verwezenlijking vatbaar zijn, moeten zij tot het inkomen worden gerekend.
Een man heeft in zijn bv een stamrecht en pensioen in eigen beheer. De bv heeft daarnaast een vordering van € 117.190 op hem. In 2020 wordt de bv geliquideerd, maar de man vermeldt in zijn aangifte IB/PVV niets over het stamrecht. De inspecteur ontdekt de liquidatie via de Vpb-aangifte en rekent € 117.190 tot het inkomen. In geschil is onder meer of navordering mogelijk is en of de pensioen- en stamrechtaanspraken terecht zijn belast.
Navordering en heffing terecht
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de Vpb-aangifte een nieuw feit oplevert. Ook wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard, omdat de man het stamrecht niet heeft aangegeven terwijl hij wist dat dit een belemmering vormde voor liquidatie van de bv. Door de liquidatie zijn het pensioen en stamrecht prijsgegeven. Omdat de bv een vordering van € 117.190 op de man had, konden de aanspraken daarmee worden verrekend en waren zij tot dat bedrag voor verwezenlijking vatbaar. De inspecteur heeft daarom terecht € 117.190 tot het inkomen gerekend. Ook de revisierente blijft in stand.
Wet: art. 16 AWR, art. 3.133 Wet IB 2001 en art. 19b (oud) Wet LB 1964
Bron: Rechtbank Gelderland, 14-10-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7933, ARN 24/7174 | NDFR





Geef een reactie