Rechtbank Gelderland oordeelt dat een arbeidsvergoeding van € 57.000 aan een echtgenoot binnen een maatschap niet leidt tot een onzakelijke resultaatsverdeling. Dat de andere maat daardoor een verlies uit onderneming heeft, maakt dat niet anders.
Een vrouw exploiteert sinds 2017 samen met haar echtgenoot een melkveebedrijf in een maatschap. Beiden brengen onder meer arbeid in, terwijl de echtgenoot daarnaast ondernemingsvermogen heeft ingebracht. Volgens de maatschapsakte kunnen de maten elkaar een extra vergoeding voor arbeid toekennen. In 2021 werkt de vrouw 1.250 uur en haar echtgenoot 3.150 uur. Voor de 1.900 extra uren krijgt de echtgenoot een arbeidsvergoeding van € 57.000. Na deze vergoeding resteert voor beide maten een aandeel in het verlies van € 2.868. De vrouw geeft daardoor een verlies uit onderneming aan. De inspecteur corrigeert dit omdat hij vindt dat een arbeidsvergoeding die hoger is dan het resultaat van de maatschap tot een onzakelijke resultaatsverdeling leidt.
Vergoeding voor meerarbeid is zakelijk
De rechtbank stelt voorop dat fiscaal in beginsel de civielrechtelijke resultaatsverdeling wordt gevolgd, tenzij onafhankelijke partijen zo’n verdeling niet zouden zijn overeengekomen. Daarbij moeten alle afspraken en de volledige inbreng van de maten worden bekeken. De bewijslast dat de verdeling onzakelijk is, rust op de inspecteur. In dit geval worden de eerste 1.250 uren door beide maten zonder afzonderlijke vergoeding ingebracht. De € 57.000 ziet uitsluitend op de 1.900 extra uren van de echtgenoot. Volgens de rechtbank is het onbegrijpelijk waarom een onafhankelijke derde daaraan niet zou willen meebetalen. Gezien de overige afspraken zou juist het achterwege laten van een vergoeding voor deze meerarbeid onzakelijk kunnen zijn.
Verlies bij één maat is mogelijk
Dat de arbeidsvergoeding ertoe leidt dat de vrouw een verlies uit onderneming heeft, maakt de resultaatsverdeling evenmin onzakelijk. Dat zou mogelijk anders zijn als het verlies uitsluitend vanuit fiscale motieven zou zijn gecreëerd, maar daarvan is niet gebleken. Er bestaat volgens de rechtbank geen fiscale regel die verhindert dat een individuele maat bij een positief resultaat van de maatschap toch een negatief resultaat uit zijn eigen onderneming behaalt. De inspecteur heeft het verlies daarom ten onrechte met € 2.868 gecorrigeerd.
Wet: art. 3.8 Wet IB 2001 en art. 7A:1655 BW
Bron: Rechtbank Gelderland, 28-10-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:8296, ARN 24/7170 | NDFR





Geef een reactie