Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de beperkingen in de tegenbewijsregeling bij het forfaitaire schadepercentage van 31% voor de BPM onverbindend zijn. De beperkingen zijn in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat belastingplichtigen daardoor onvoldoende mogelijkheden hebben om een hogere waardevermindering aannemelijk te maken.
Een man doet BPM-aangifte voor een uit Duitsland afkomstige beschadigde Mercedes-Benz E-klasse. Hij berekent de verschuldigde BPM met een taxatierapport en brengt de volledige getaxeerde schade in mindering op de handelsinkoopwaarde. De inspecteur volgt hem daarin niet en houdt op grond van de Uitvoeringsregeling BPM slechts rekening met 31% van de herstelkosten als waardevermindering. Na bezwaar bedraagt de naheffingsaanslag € 3.191. De man stelt dat het forfaitaire percentage en vooral de beperkingen voor het leveren van tegenbewijs in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Volgens de regeling mag tegenbewijs onder meer niet in algemene zin worden gebaseerd op het autosegment, de leeftijd of de kilometerstand. In geschil is onder meer of deze beperkingen stand kunnen houden.
Tegenbewijsregeling te beperkt
De rechtbank stelt vast dat het forfait van 31% is gebaseerd op de mediaan van een onderzoek naar economisch total-lossauto’s. Niet duidelijk is of deze dataset representatief is voor alle schadeauto’s. Bovendien staat daarmee bij voorbaat vast dat het forfait voor minstens de helft van de gevallen te weinig waardevermindering oplevert. Juist die belastingplichtigen zijn afhankelijk van de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. De regeling sluit daarbij echter mogelijke relevante factoren, zoals autosegment, leeftijd en kilometerstand, categorisch uit. Volgens de rechtbank schiet de regeling daarmee haar doel voorbij. De nadelige gevolgen voor belastingplichtigen zijn onevenredig ten opzichte van het doel van de regeling. De beperkingen in de tegenbewijsregeling zijn daarom onverbindend.
Forfait van 31% blijft wel bestaan
Het forfaitaire percentage van 31% zelf blijft in stand. Dit percentage vormt volgens de rechtbank een bewijsrechtelijke tegemoetkoming: belastingplichtigen hoeven voor de eerste 31% waardevermindering geen bewijs te leveren. Voor een hogere waardevermindering mogen zij voortaan zonder de onverbindend verklaarde beperkingen tegenbewijs leveren. In deze zaak maken zowel de man als de inspecteur niet aannemelijk welk percentage daadwerkelijk moet gelden. De rechtbank stelt het waardeverlies daarom in goede justitie vast op 50%. De naheffingsaanslag wordt verminderd van € 3.191 naar € 3.079. Het beroep is gegrond.
Wet: art. 10 Wet BPM; art. 8 Uitvoeringsregeling BPM 1992
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 29-10-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4639, LEE 25/846 | NDFR





Geef een reactie