De Hoge Raad oordeelt dat een auto die in een andere EU-lidstaat al op kenteken stond, voor de bpm niet automatisch een gebruikte auto is. Een vrijwel ongebruikte auto mag als nieuw worden behandeld zonder dat artikel 110 VWEU wordt geschonden.
Een bv krijgt een naheffingsaanslag bpm opgelegd en procedeert daarover tot aan de Hoge Raad. Een belangrijk geschilpunt is wanneer een uit een andere EU-lidstaat afkomstige auto voor de bpm als gebruikt moet worden aangemerkt. Hof ’s-Hertogenbosch sluit aan bij eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. Daaruit volgt dat een auto nieuw is wanneer deze na vervaardiging niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Dat de auto vóór de komst naar Nederland al in een andere lidstaat op kenteken is gezet, maakt hem volgens het hof niet automatisch gebruikt. De bv stelt in cassatie dat dit onderscheid in strijd is met artikel 110 VWEU, omdat ingevoerde auto’s daardoor fiscaal nadeliger zouden worden behandeld dan vergelijkbare Nederlandse auto’s.
Registratie bepaalt gebruik niet
De Hoge Raad verwerpt dat standpunt. Artikel 110 VWEU verbiedt dat op ingevoerde producten een hogere binnenlandse belasting drukt dan op gelijksoortige nationale producten. Lidstaten mogen bij een registratiebelasting echter onderscheid maken tussen gebruikte en ongebruikte voertuigen, zolang binnen die categorieën geen discriminatie plaatsvindt. Een eerste registratie in een andere lidstaat betekent daarom niet dat een auto voor de bpm per definitie als gebruikt geldt. Een voertuig dat daar op kenteken is gezet en vervolgens nagenoeg ongebruikt naar Nederland wordt gebracht, mag tot de categorie ongebruikte auto’s worden gerekend. Zulke auto’s concurreren op de Nederlandse markt met nieuwe auto’s waarop bij registratie eveneens bpm wordt geheven. Van verboden discriminatie is daarom geen sprake. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Wet: art. 9 en 10 Wet BPM 1992 en art. 110 VWEU
Bron: Hoge Raad, 23-10-2026, ECLI:NL:HR:2026:1728, 25/00618 | NDFR





Geef een reactie