De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke beroepstermijn van zes weken niet in strijd is met het Unierecht. De combinatie van de vaste termijn en de mogelijkheid om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, waarborgt voldoende toegang tot de rechter.
Een belastingplichtige procedeert over een naheffingsaanslag bpm. Rechtbank doet op 15 december 2023 uitspraak en verzendt die uitspraak op 20 december 2023. Daardoor eindigt de termijn voor het instellen van hoger beroep op 31 januari 2024. Het hogerberoepschrift wordt echter pas op 5 februari 2024 via het webportaal van Hof Den Haag ingediend. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en ziet geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ook het verzet daartegen blijft zonder resultaat. In cassatie stelt de belastingplichtige dat toepassing van de Nederlandse beroepstermijn in strijd is met het recht op effectieve toegang tot de rechter uit art. 47 en 52 EU-Handvest.
Zes weken is een redelijke termijn
De Hoge Raad oordeelt dat lidstaten zelf hun procesregels mogen vaststellen als het Unierecht daarvoor geen specifieke regeling bevat. Die regels mogen de uitoefening van Europese rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. De beroepstermijn van zes weken voldoet daaraan. Daarbij weegt mee dat een beroepschrift binnen die termijn nog niet hoeft te zijn gemotiveerd en dat geen verplichte professionele rechtsbijstand geldt. Bovendien biedt art. 6:11 Awb ruimte om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten als de indiener redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Redelijke beroepstermijnen dienen daarnaast de rechtszekerheid. Volgens de Hoge Raad bestaat daarom geen redelijke twijfel dat de Nederlandse regeling het recht op effectieve rechtsbescherming voldoende eerbiedigt. Het cassatieberoep is ongegrond.
Wet: art. 6:7, 6:11 en 6:24 Awb
Bron: Hoge Raad, 23-10-2026, ECLI:NL:HR:2026:1732, 25/00731 | NDFR





Geef een reactie