• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar
  • Skip to footer
  • Nieuwsbrief
  • Contact

Taxence

Taxence

  • Nieuws & achtergrond
    • Nieuws
    • Branchenieuws
    • Blogs
    • Verdieping
  • Thema’s
    • AI & Tax Technology
    • Arbeid & Loon
    • Belastingplan
    • BTW & Overdrachtsbelasting
    • BV & DGA
    • Duurzaamheid (ESG & CSRD)
    • Estate planning
    • Alle thema’s
  • Opleidingen
    • AI & Tax Tech
    • ESG & CSRD
    • Estate Planning
    • BTW
    • Vastgoed
    • Internationaal
    • Arbeid & Loon
    • Formeel
    • Familiebedrijven
    • VPB
    • Pensioen
  • Carrière
    • Personalia
    • Vacatures
    • Vacature toevoegen
    • Partners
  • Vakinformatie
    • NDFR
    • Addify
    • JES! Knowledge
    • Fiscaal en meer
    • Tax talks
    • Vakblad Estate Planning
    • Specials
  • Kennisbank

Inning omzetbelasting na ontbinding en carrouselfraude

18 december 2018 door Michel Halters

Inning van naheffingsaanslagen vanwege carrouselfraude wordt bemoeilijkt als de belastingschuldige niet meer bestaat. Tijdige bekendmaking van een aanslag is voor de Belastingdienst dan vaak een hele uitdaging.

Een dga (belanghebbende) had een B.V. die een autohandel dreef. Hij was formeel bestuurder vanaf 25 juli 2003 tot en met 4 augustus 2004. Hierna droeg de dga de aandelen in de B.V. over aan zijn opvolger, die ook tot bestuurder werd benoemd. Die andere persoon (opvolgend bestuurder) verklaarde evenwel dat de (ex-)dga, hoewel formeel geen bestuurder meer, nog wel steeds de feitelijke leiding uitoefende. Vanaf 10 december 2006 werd de B.V. ontbonden. Na een onderzoek door de Belastingdienst bleek dat de B.V. een aantal facturen had ontvangen voor de inkoop van auto’s en dat de voorbelasting door de B.V. in aftrek was gebracht. De leverancier had echter nooit aangifte omzetbelasting gedaan voor de verkoop van auto’s. Daarop werd een strafrechtelijk onderzoek gestart vanwege verdenking van carrouselfraude. Verdachten waren de dga (belanghebbende), de B.V. en de leverancier.

De Belastingdienst legde over de periode 1 juli 2003 tot en met 31 oktober 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Deze naheffingsaanslag werd verzonden naar de opvolgend bestuurder op 10 december 2008. Deze opvolgend bestuurder maakte bezwaar op 16 december 2008. De inspecteur heeft dit bezwaar niet behandeld omdat de opvolgend bestuurder geen rechtsgeldige vertegenwoordiger meer was van de ontbonden B.V.

De ontvanger van de Belastingdienst heeft de rechtbank op 13 mei 2009 verzocht de vereffening van het vermogen van de B.V. te heropenen en de rechtbank heeft op 16 november 2009 dit verzoek ingewilligd. Daarop heeft de ontvanger de naheffingsaanslag omzetbelasting op 19 november 2009 aan de vereffenaar betekend. Op 8 maart 2010 heeft de ontvanger de dga als (feitelijk) bestuurder aansprakelijk gesteld voor de volledige naheffingsaanslag.

 

Tijdstip vaststelling aanslag na ontbinding B.V.

In geschil bij Hof Den Bosch is of de naheffingsaanslag tijdig is vastgesteld. In beginsel is de dagtekening van de aanslag bepalend of de aanslag binnen vijf jaar na het einde van het belastingtijdvak is vastgesteld. Als de Belastingdienst de aanslag pas na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze bekendmaakt, komt de datum van bekendmaking in de plaats van de dagtekening op het aanslagbiljet. Een naheffingsaanslag die weliswaar een dagtekening heeft die ligt binnen die vijfjaars-periode, maar feitelijk pas na deze periode is bekendgemaakt, is te laat opgelegd.

Betekening van de aanslag aan de opvolgend bestuurder was geen rechtsgeldige bekendmaking. De opvolgend bestuurder was niet meer bevoegd de B.V. te vertegenwoordigen. Die bevoegdheid kwam toe aan de vereffenaar. Volgens het hof staat vast dat de ontvanger na heropening van de vereffening van de ontbonden B.V., de aanslag heeft betekend aan de vereffenaar op 19 november 2009. Daarmee is het eerste moment van bekendmaking 19 november 2009 geweest. Voor zover het de over 2003 nageheven omzetbelasting betreft, is deze dan buiten de vijfjaarstermijn nageheven. De dga kan daardoor niet meer aansprakelijk gesteld worden voor de omzetbelasting die betrekking heeft op 2003.

 

Commentaar

Deze uitspraak illustreert mooi op welke problemen de Belastingdienst stuit om tijdig een aanslag op te leggen aan een ontbonden rechtspersoon. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat de Belastingdienst aan een geliquideerde rechtspersoon rechtsgeldig een aanslag kan opleggen (Hoge Raad 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288 en Hoge Raad 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655), maar tijdige vaststelling van die aanslag is een probleem. Normaliter geldt de dagtekening van de aanslag als de datum waarop de aanslag is vastgesteld. Als de Belastingdienst de aanslag pas na de dagtekening op de aanslag rechtsgeldig bekend kan maken, is deze latere datum de datum waarop de aanslag is vastgesteld. Is een rechtspersoon ontbonden, dan moet eerst bij de rechtbank een verzoek worden gedaan om de vereffening van de rechtspersoon te heropenen. Voordat de vereffening wordt heropend, gaat ook weer tijd verloren.

 

Voorgestelde wijzigingen fiscale maatregelen 2019

Met de Fiscale Maatregelen 2019 wordt een nieuwe regeling voorgesteld, die het voor de Belastingdienst makkelijker moet maken om aan een ontbonden rechtspersoon een aanslag op te leggen. De voorgestelde regeling ziet er als volgt uit. Het aanslagbiljet voor een ontbonden rechtspersoon wordt uitgereikt of verzonden aan het parket van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de laatst bekende vestigingsplaats van de rechtspersoon is gelegen of bij Rechtbank Den Haag. Vervolgens zal hierna zo snel mogelijk de uitreiking of verzending van de aanslaggegevens aan de Staatscourant plaatsvinden. Ook wordt een kopie van het aanslagbiljet verzonden of uitgereikt aan de laatst bekende bestuurders, aandeelhouders en vereffenaars van de ontbonden rechtspersoon. Als de aanslag op voornoemde wijze bekend is gemaakt, treden de rechtsgevolgen in en beginnen de termijnen te lopen.

 

Wet: art. 3:41 AWB, 8 en 32 IW 1990, 5 en 20 AWR

 

Fiscale Maatregelen 2019: Tweede Kamer, vergaderjaar 2018/19, nr. 35027, 3, p. 16-17

Meer informatie: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 september 2018 (gepubliceerd op 16 november 2018), ECLI:NL:GHSHE:2018:4027

Filed Under: Formeel belastingrecht, Nieuws, Verdieping, Verdieping

Reageer
Vorige artikel
Vermindering afdracht verhuurderheffing is belaste winst
Volgende artikel
Landelijke Landbouwnormen 2018 beschikbaar

Reader Interactions

Gerelateerde berichten

parkeren eigen terrein

Aanmaningskosten terecht ondanks ontbrekende MijnOverheid-notificatie

Plaatsing van een naheffingsaanslag parkeerbelasting in de berichtenbox van MijnOverheid geldt als geldige bekendmaking, ook als de belastingschuldige geen e-mailnotificatie heeft ontvangen. Aanmaningskosten zijn dan terecht in rekening gebracht.

souvenir

Schaduwboekhouding maakt omkering bewijslast terecht

Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de in een schoudertas aangetroffen schaduwboekhouding rechtmatig is verkregen. Dit rechtvaardigt omkering en verzwaring van de bewijslast en een redelijke schatting van de omzet over heel 2018.

Ontbonden stichting blijft bestaan bij aanwezige baten

Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een ontbonden stichting niet is opgehouden te bestaan als achteraf nog baten blijken te bestaan en het vermogen niet is vereffend. De Vpb-aanslagen zijn daarom tijdig en rechtsgeldig bekendgemaakt.

contant geld

Besluit mbt boetes overtreding verbod op contante betalingen vanaf € 3.000

Dit besluit wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 en het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in verband met het verbod op contante betalingen voor goederen vanaf € 3.000. Het besluit regelt met name de handhaving en sanctionering van dit verbod.

Hoge Raad

Rechter mag proceskostenvergoeding fors matigen zonder toelichting

De Hoge Raad oordeelt dat de rechter ruime vrijheid heeft om proceskostenvergoedingen te matigen. De rechter hoeft de omvang van die matiging niet afzonderlijk te motiveren.

Geef een reactie Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Primary Sidebar

Opleidingen

AGENDA

Masterclass De positie van de samenwoner in de inkomstenbelasting, relatievermogensrecht en vermogensplanning – Civiel en fiscaal

Nationaal Btw Congres 2026

Online cursus introductie participatieregelingen en lucratieve belangen

Online cursus Internationale aspecten van Nederlandse belastingwetgeving

Online cursus Auto van de zaak

Online cursus Staken van de onderneming: (turbo)liquidatie, WHOA liquidatie akkoord

Stoomcursus Erfrecht – Civiel en fiscaal – Het hele erfrecht in één dag! 

Stoomcursus AI voor Fiscale professionals

Specialisatieopleiding Estate Planning

Basiscursus Estate planning

Meer opleidingen

Footer

  • Fiscaal nieuws
  • Opleidingen
  • Kennisbank
  • Vacatures
  • Over ons
  • Adverteren op Taxence
  • NDFR
  • JES! (ESG producten)
  • Fiscaal en meer
  • Tax Talks
  • Register Estate Planners (REP)
  • Contact
  • Linkedin
  • X
  • Facebook
  • Aanmelden nieuwsbrief
  • Naar Lefebvre Sdu Webshop

Taxence is een uitgave van
Lefebvre Sdu
Maanweg 174
2516 AB Den Haag

Powered by Lefebvre Sdu

  • Disclaimer
  • Privacy Statement en Cookiebeleid
lefebvre SDU

Het laatste nieuws van
Taxence in je mail?

Aanmelden

 

×