
Filed Under: Dividendbelasting en EU-Spaarrenterichtlijn
Taxence
door Jelle Berghuis
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een Canadese trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. De trust drijft volgens het hof een commerciële effectenhandel en arbitrageonderneming en kwalificeert daarom niet als vrijgesteld pensioenfonds.
Een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde unit-linked verzekeraar heeft recht op teruggaaf € 53,8 miljoen aan dividendbelasting. Op grond van het Unierecht mag zij niet zwaarder worden belast dan een vergelijkbare, in Nederland gevestigde vennootschapsbelastingplichtige.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat inhouding materieel niet verschuldigd was. Een kunstmatige structuur leidt bovendien tot een forse vergrijpboete.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een Luxemburgse tussenhoudster is tussengeschoven om Nederlandse dividendbelasting te ontlopen. De inhoudingsvrijstelling van art. 4 Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) is daarom terecht geweigerd wegens misbruik van Unierecht.
De Tweede Kamer heeft op 30 september 2021 het Wetsvoorstel conditionele bronheffing op dividenden (Kamerstuk 35779) aangenomen. Het wetsvoorstel is als hamerstuk aangenomen. Bron: Tweede Kamer 30 september 2021, 2021D36318
Taxence is een uitgave van
Lefebvre Sdu
Maanweg 174
2516 AB Den Haag
Geef een reactie