Rechtbank Den Haag oordeelt dat het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35% voor dure woningen niet in strijd is met het eigendomsrecht en gelijkheidsbeginsel. De wetgever blijft binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid.
Een man beschikt in 2020 samen met zijn fiscaal partner over een eigen woning met een WOZ-waarde van € 3.449.000. De inspecteur past over het deel van de waarde boven € 1.090.000 het verhoogde eigenwoningforfaitpercentage van 2,35% toe, wat leidt tot een eigenwoningforfait van € 61.976. De man bestrijdt het verhoogde percentage. Hij betoogt onder meer dat de zogenoemde villabelasting gebrekkig is gemotiveerd en dat uit onderzoek blijkt dat de waardeontwikkeling van dure woningen nauwelijks afwijkt van andere woningen.
Wetgever blijft binnen beoordelingsvrijheid
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. De wetgever heeft bij de invoering van het verhoogde percentage het standpunt ingenomen dat bij woningen boven een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol speelt. De rechtbank erkent dat de man kanttekeningen plaatst die hout snijden, maar oordeelt dat de keuze van de wetgever niet evident van redelijke grond is ontbloot. Dat de man in zijn specifieke situatie geen beleggingsrendement heeft behaald maar een groot verlies heeft geleden, doet aan dit oordeel niet af. Bovendien geniet hij in 2020 nog hypotheekrenteaftrek, waardoor per saldo geen sprake is van een bijtelling.
Bron: Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8365, AWB – 25 _ 3698 | NDFR





Geef een reactie