Een lijfrente is niet afgekocht in de zin van de wet als de verzekeraar door fraude wordt bewogen tot uitbetaling zonder medeweten van de verzekeringnemer. Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigt de aanslag IB/PVV 2018 en de revisierente.
Een man heeft in het verleden een lijfrenteverzekering afgesloten waarvan hij de premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek heeft gebracht. In 2018 keerde de verzekeraar de lijfrente af en maakte het nettobedrag over naar de rekening van zijn ex-partner. De man nam de afkoop niet op in zijn aangifte IB/PVV 2018. De inspecteur legde een aanslag IB/PVV 2018 op, bracht daarin de afkoopwaarde van € 14.901 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking en berekende revisierente van € 2.980. De man stelde dat zijn ex-partner buiten zijn medeweten de verzekeraar met een vervalste handtekening had bewogen tot afkoop en uitbetaling. In geschil is of de afkoopwaarde terecht bij de man in aanmerking is genomen en of de revisierente terecht in rekening is gebracht.
Geen afkoop bij fraude door ex-partner
Het hof acht aannemelijk dat de man de verzekeraar in 2018 niet heeft gevraagd de lijfrente af te kopen. De onjuiste verklaringen die de man en zijn belastingadviseur aanvankelijk bij de inspecteur aflegden, zijn verklaarbaar doordat zij lange tijd dachten dat de discussie ging over een andere polis — gekoppeld aan de echtelijke woning — en niet over zijn eigen pensioenpotje. De brief van de verzekeraar over de fiscale gevolgen van de afkoop was verstuurd naar het adres van de ex-partner, zodat de man van de inhoud niet op de hoogte was. Nadat de man bewijs leverde dat hij na de echtscheiding een nieuwe handtekening is gaan gebruiken, bevestigde de verzekeraar na fraudeonderzoek dat de handtekening op het uitbetalingsverzoek niet van de man afkomstig is, dat zij is misleid en dat zij de polis heeft hersteld.
Geen revisierente zonder geldige afkoop
Omdat alleen de man als verzekeringnemer het recht had de lijfrente te doen afkopen en hij dat recht niet heeft uitgeoefend, concludeert het hof dat geen sprake is van een afkoop in de zin van artikel 3.133 Wet IB 2001. De stelling van de inspecteur dat fraude door een derde ook als afkoop moet worden aangemerkt, vindt geen steun in het recht. De afkoopwaarde is ten onrechte tot het inkomen van de man gerekend, zodat de aanslag wordt verminderd en de revisierente wordt vernietigd. Het verzoek om schadevergoeding wijst het hof af: de inspecteur heeft niet onrechtmatig gehandeld door op grond van de renseignering en de aanvankelijke verklaringen van de man een afkoop in de aanslag te verwerken.
Wet: art. 3.133 en art. 3.137 Wet IB 2001 en art. 30i AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1654, 24/1041 | NDFR





Geef een reactie