Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een betaling van bijna € 1,9 miljoen ziet op aandelenrechten die al in 2003 tot en met 2005 onvoorwaardelijk zijn geworden. De betaling is daarom niet in 2017 belast als inkomen uit werk en woning.
Een man werkt vanaf 2002 voor een Britse onderneming. In zijn arbeidsovereenkomst is afgesproken dat hij na het succesvol afronden van ieder jaar recht krijgt op 1% van het aandelenkapitaal, tot maximaal 5%. In 2016 wordt de onderneming verkocht. De man ontvangt in december 2016 € 151.920 in verband met een later aandelenplan. In januari 2017 ontvangt hij daarnaast € 1.868.988 op grond van een overeenkomst waarmee zijn oudere aanspraak op aandelen wordt afgewikkeld. De bedragen neemt hij niet op in zijn aangiften IB/PVV. De inspecteur belast de ontvangsten als inkomen uit werk en woning. In geschil is wanneer de voordelen fiscaal zijn genoten.
Betaling van € 151.920 belast in 2016
Het hof oordeelt dat uit het latere aandelenplan geen onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen volgt. Het plan geeft veeleer recht op een geldbedrag waarvan de hoogte mede afhangt van de waarde van de onderneming. De uiteindelijke betaling is bovendien verhoogd vanwege het goede verkoopresultaat. Volgens het hof kan sprake zijn van de uitoefening van een optierecht, uitbetaling van een stock appreciation right of een extra gratificatie. In alle gevallen is het voordeel van € 151.920 in 2016 belast.
Aandelenrechten al jaren eerder genoten
Voor de betaling van € 1.868.988 ligt dat anders. Uit de arbeidsovereenkomst en latere bevestigingen volgt dat de man in 2003, 2004 en 2005 telkens een onvoorwaardelijk recht op 1% van de aandelen heeft verkregen. Het gaat niet om aandelenopties of een recht op alleen de waardestijging. Dat de aandelen destijds niet daadwerkelijk zijn geleverd, verandert dit niet. De rechten waren afdwingbaar en het voordeel had fiscaal in 2003 tot en met 2005 in aanmerking moeten worden genomen. De betaling van € 1.868.988 ter afwikkeling van die rechten kan daarom niet alsnog in 2016 of 2017 worden belast.
Wet: art. 3.81 en art. 3.146 Wet IB 2001 en art. 10 Wet LB 1964
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5877, 25/2268 en 25/2269 | NDFR





Geef een reactie