Contractonderzoek dat een onderzoeksinstelling uitvoert voor (semi-)publieke opdrachtgevers kan meetellen als onderzoek dat is bekostigd uit publieke middelen. Daardoor kan de onderzoeksvrijstelling van artikel 6b Wet Vpb toch van toepassing zijn.
Een door de rijksoverheid opgerichte stichting verricht toegepast onderzoek op het gebied van lucht- en ruimtevaart. Zij voert zowel publiek gesubsidieerd onderzoek uit als contractonderzoek voor publieke en private partijen. In 2016 bedraagt haar omzet circa € 81,7 miljoen. Daarvan komt 29,62% uit subsidies, 45,41% uit contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen en 24,97% uit contractonderzoek voor private partijen. De inspecteur legt voor het jaar 2016 een aanslag vennootschapsbelasting op en stelt een verlies vast van € 389.265. Volgens hem kan de stichting geen beroep doen op de onderzoeksvrijstelling van art. 6b Wet Vpb, omdat contractonderzoek tegen betaling niet kan worden gezien als onderzoek dat wordt bekostigd uit publieke middelen.
Stichting drijft onderneming
Hof Amsterdam oordeelt eerst dat de stichting een onderneming drijft. Zij neemt met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid deel aan het economische verkeer. Bovendien realiseert zij in meerdere jaren structurele overschotten met contractonderzoek. Dat deze overschotten worden gebruikt voor investeringen, onderhoud of het opbouwen van reserves maakt niet dat een winststreven ontbreekt. Ook het beroep op het Subsidiebesluit 2005 slaagt niet. De overschotten uit contractonderzoek hoeven namelijk niet te worden terugbetaald aan de subsidieverstrekker en zijn ook niet verplicht gebonden aan subsidiedoeleinden. Daarom is volgens het hof sprake van een objectief winststreven en dus van een onderneming in de zin van de Wet Vpb.
Contractonderzoek telt mee voor 70%-toets
Vervolgens beoordeelt het hof de onderzoeksvrijstelling van art. 6b Wet Vpb. Volgens de inspecteur is geen sprake van bekostiging uit publieke middelen wanneer een overheidsinstantie onderzoek afneemt en daarvoor een marktconforme vergoeding betaalt. Het hof volgt dit standpunt niet. Uit de wettekst blijkt niet dat bij bekostiging uit publieke middelen een contractuele tegenprestatie moet ontbreken. De term ‘bekostigen’ ziet volgens het hof vooral op de herkomst van de middelen en niet op de vraag of een tegenprestatie wordt geleverd. Ook de parlementaire geschiedenis biedt onvoldoende steun voor de uitleg van de inspecteur. Daardoor telt het contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen mee bij de beoordeling of het onderzoek hoofdzakelijk uit publieke middelen wordt bekostigd. Omdat daarmee meer dan 70% van de onderzoeksactiviteiten uit publieke middelen wordt gefinancierd, is de onderzoeksvrijstelling van toepassing. Het hoger beroep van de inspecteur en het incidenteel hoger beroep van de stichting zijn ongegrond.
Wet: art. 2, lid 1, onderdeel e, art. 4 en art. 6b Wet Vpb 1969
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie