Hof Amsterdam oordeelt dat de man zich niet kan beroepen op het Fagoed-arrest. Hij heeft geen grond verkocht en geen geld ontvangen, waardoor geen sprake is van een situatie die overeenkomt met een geïndexeerde geldlening.
Een man is vennoot in een vof die in oktober 2012 een recht van erfpacht op landbouwgrond heeft gekocht met een kooprecht. De grond was in 2004 verkocht door de vorige eigenaar aan een nv onder voorbehoud van erfpacht. De vof heeft de bestaande erfpachtovereenkomst volledig overgenomen. In de jaarrekeningen activeert de vof de grond voor de volle eigendomswaarde en passivert daartegenover een schuld, waarbij aansluiting is gezocht bij het Fagoed-arrest van de Hoge Raad. De schuld wordt jaarlijks geïndexeerd en deze indexering brengt de man ten laste van zijn winstaandeel. De inspecteur corrigeert de in aftrek gebrachte indexering over de jaren 2014 tot en met 2016. De man stelt dat de Fagoed-methode ook in zijn situatie mag worden toegepast.
Geen overeenkomst met geldlening
Het hof oordeelt dat de situatie van de man op essentiële punten afwijkt van het Fagoed-arrest. In dat arrest was sprake van verkoop van grond onder voorbehoud van erfpacht met een terugkooprecht, waarbij de belastingplichtige geld ontving dat later tegen een geïndexeerde prijs moest worden terugbetaald. Deze overeenkomst met een geldlening ontbreekt in de onderhavige zaak. De man is van de grond nooit eigenaar geweest, zodat niet gesproken kan worden van een terugkeren daarvan in zijn onderneming. Hij heeft ook geen geld ontvangen van de nv bij een verkoop van de grond. Er wordt geen geldsom terugbetaald bij uitoefening van het kooprecht. De man is niet door de nv gefinancierd. De Fagoed-methode betreft een uitzondering die beperkt moet worden uitgelegd. Gelet op de belangrijke verschillen is geen sprake van een sterke overeenkomst met een geldlening.
Nieuw feit voor navordering aanwezig
Voor de jaren 2014 en 2015 stelt de man dat niet nagevorderd kan worden. Het hof oordeelt dat uit de aangiften niet valt af te leiden dat sprake was van erfpachtfinanciering. De niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de opgenomen gegevens juist waren. In 2017 hoefde de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen in redelijkheid niet aan de juistheid te twijfelen. De erfpachtfinanciering is pas aan het licht gekomen toen de inspecteur in oktober 2020 vragen ging stellen over de aangifte 2016. Deze nieuwe informatie vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Wet: art. 16 AWR
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 30-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3686, 24/3224 | NDFR





Geef een reactie