• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar
  • Skip to footer
  • Nieuwsbrief
  • Contact

Taxence

Taxence

  • Nieuws & achtergrond
    • Nieuws
    • Branchenieuws
    • Blogs
    • Verdieping
  • Thema’s
    • AI & Tax Technology
    • Arbeid & Loon
    • Belastingplan
    • BTW & Overdrachtsbelasting
    • BV & DGA
    • Duurzaamheid (ESG & CSRD)
    • Estate planning
    • Alle thema’s
  • Opleidingen
    • AI & Tax Tech
    • ESG & CSRD
    • Estate Planning
    • BTW
    • Vastgoed
    • Internationaal
    • Arbeid & Loon
    • Formeel
    • Familiebedrijven
    • VPB
    • Pensioen
  • Carrière
    • Personalia
    • Vacatures
    • Vacature toevoegen
    • Partners
  • Vakinformatie
    • NDFR
    • Addify
    • JES! Knowledge
    • Fiscaal en meer
    • Tax talks
    • Vakblad Estate Planning
    • Specials
  • Kennisbank

Fiscus moet na vereffening toetsen op staking onderneming

12 juni 2019 door kristel tijsterman - remco latour

De wet stelt dat een holding een liquidatieverlies pas kan aftrekken als de onderneming van het geliquideerde lichaam is gestaakt of door een derde is voortgezet. Of aan deze zogeheten niet-voortzettingseis wordt voldaan, moet men toetsen aan de hand van de omstandigheden op het tijdstip van de voltooiing van de vereffening. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad, waarop mr. Kristel Tijsterman, Partner bij Atlas Fiscalisten, haar commentaar geeft.

Normaal gesproken zijn verliezen op deelnemingen als gevolg van de deelnemingsvrijstelling niet aftrekbaar. Een uitzondering geldt voor verliezen als gevolg van het liquideren van het lichaam waarin de holding een deelneming houdt: de liquidatieverliesregeling. De wet stelt als voorwaarde voor de aftrek van het liquidatieverlies dat de onderneming van het ontbonden lichaam volledig is gestaakt of door een derde is voortgezet. Deze voorwaarde staat bekend als de niet-voortzettingseis. De vraag is echter wat het toetsmoment is voor de niet-voortzettingseis. Advocaat-generaal (A-G) Wattel pleitte om deze toets te houden op het moment waarop de vereffening is voltooid. Zie ook: ‘A-G: toets verbondenheid na voltooiing vereffening’. De Hoge Raad volgt zijn advies op.

 

Volgens de Hoge Raad wil de wetgever voorkomen dat een concern haar mogelijkheden tot verliesverrekening kan verruimen door de onderneming van een lichaam te verplaatsen binnen een concern. De Hoge Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat de wetgever de aftrek van het liquidatieverlies wil uitstellen tot het latere moment van staking of voortzetting door een derde. Een volledig afstel van de aftrek van het liquidatieverlies is ongewenst. Het doel van de wetgever is het beste te realiseren als de toetsing van de niet-voortzettingseis plaatsvindt wanneer de vereffening is voltooid. Zo voorkomt men namelijk dat een concern een liquidatieverlies helemaal niet kan aftrekken. Dankzij dit oordeel kan de belanghebbende N.V. haar liquidatieverlies aftrekken.

 

Commentaar mr. Kristel Tijsterman

De achtergrond van de voorzettingseis is het voorkomen van verliesverrekening bij een deelneming te  vervangen door een liquidatieverlies bij de moedervennootschap  door een overdracht van de activiteiten binnen concern gevolgd door een liquidatie van de deelneming. De wet stelt daarom als voorwaarde voor de aftrek van het liquidatieverlies dat de onderneming van het ontbonden lichaam volledig is gestaakt of door een derde is voortgezet. In de prakrijk gebeurt het regelmatig dat een onderneming eerst binnen de groep wordt voortgezet en later door een niet verbonden lichaam (bijvoorbeeld door een verkoop van de aandelen in de voortzetter). Zo ook in dit geval. De geliquideerde vennootschap (X) heeft eerst haar activiteiten binnen concern overgedragen en later werd de overnemende vennootschap verkocht;  er was niet langer sprake van verbondenheid tussen X en de voortzetter. De vraag is of de voortzettingseis hier het nemen van een liquidatieverlies op X belemmert. In de praktijk is de toepassing van de liquidatieverliesregeling in een dergelijk geval een bijzonder lastig vraagstuk.

 

Wettekst & parlementaire geschiedenis

De wettekst en parlementaire geschiedenis geven weinig richting op welk moment getoetst moet worden of de onderneming al dan niet binnen concern is voortgezet. Uit een grammaticale lezing van de wettekst (door een verbonden lichaam is voortgezet) kan worden afgeleid dat het moment van voortzetting het relevante toetsmoment is voor de verbondenheid. De wettekst laat echter ook andere grammaticale interpretaties toe.

 

Visie Staatssecretaris en literatuur

Uit het Besluit Deelnemingsvrijstelling (2019 en in eerdere versies) blijkt dat de Staatssecretaris van mening is de verbondenheid al moet worden beoordeeld bij de voorzetting en niet op het vereffeningsmoment. In dit geval is er dan geen liquidatieverlies mogelijk. Het standpunt van de Staatssecretaris vindt bijzonder weinig steun in de fiscale literatuur.

 

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt in het licht van de doel en strekking van deze bepaling. De niet-voortzettingseis heeft een antimisbruikmaatregel: het is onwenselijk dat een concern naar goeddunken de verliesverrekeningsmogelijkheden bij een dochtervennootschap kan verruilen voor een liquidatieverlies bij de moedervennootschap. De wetgever heeft dit willen tegengaan door aftrek van een liquidatieverlies niet eerder toe te staan dan op het moment dat de band tussen de onderneming van de ontbonden dochtervennootschap en het concern daadwerkelijk is verbroken. De Hoge Raad oordeelt dat in dit systeem een toetsing naar de verbondenheid op het moment van voltooiing van de vereffening past (en niet bij de voortzetting zelf).

 

Praktisch nut

Dit arrest geeft de gewenste duidelijkheid voor de situaties waarbij de voortzetter later wordt vervreemd. Met deze uitleg wordt voorkomen dat voor een aantal situaties uitstel van het nemen van een liquidatieverlies onbedoeld leidt tot afstel. Voor belastingplichtigen is deze uitkomst is dan ook zonder meer bevredigend. Tijd voor weer een herdruk van het Besluit Deelnemingsvrijstelling.

 

Wet: art. 13d, elfde lid onderdeel b en 13e Wet Vpb 1969

Meer informatie: Hoge Raad 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:886

Filed Under: Fiscaal nieuws, Nieuws, Vpb & Div.bel

Reageer
Vorige artikel
Vooraankondiging arresten Hoge Raad 14 juni 2019
Volgende artikel
Opfokken van melkkoeien is ontwikkeling bedrijfsmiddelen

Reader Interactions

Gerelateerde berichten

dga bonus

Standpunt toekennen aandelen met personeelslening en voorwaardelijke geldbonus

De Kennisgroep bijzondere winstbepalingen vpb heeft een vraag beantwoord over de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969. De casus ziet op een toegekend recht om certificaten van aandelen met een (voorwaardelijke) geldbonus en personeelslening te verwerven.

belastingaanslag

Combinatiebrief massaal bezwaar belastingrentepercentage niet meer mogelijk

Bezwaren tegen de hoogte van het belastingrentepercentage waren eerder aangemerkt als massaal bezwaar. Wie het niet eens was met het toegepaste percentage op een voorlopige aanslag, kon via een combinatiebrief deelnemen aan deze procedure. Deze mogelijkheid bestaat inmiddels niet meer.

Belastbare winst € 500.000 te hoog vastgesteld door inspecteur

Rechtbank Gelderland oordeelt dat een bv in de kunsthandel de vereiste aangifte vpb 2019 niet heeft gedaan, omdat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag niet is aangegeven. De door de inspecteur gemaakte schatting van € 750.000 is echter niet redelijk; een schatting van € 250.000 wel.

dividend

Internetconsultatie aanvullende maatregelen tegen dividendstripping

Het ministerie van Financiën is een internetconsultatie gestart over aanvullende maatregelen tegen dividendstripping. Per 1 januari 2024 zijn al maatregelen ingevoerd om deze praktijk verder te beperken. Daarna is aanvullend onderzoek gedaan naar mogelijke extra maatregelen. Op 27 juni 2025 is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd. Uit dit onderzoek zijn vier mogelijke maatregelen naar voren... lees verder

rentevergoeding

Standpunt samenloop artikel 15b Wet Vpb 1969 en berekening tweede limiet

De Kennisgroep IBR Vpb & winst heeft een vraag beantwoord over de samenloop van artikel 15b Wet Vpb 1969 en de bij de bepaling van de tweede limiet in aanmerking te nemen kosten.

Geef een reactie Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Primary Sidebar

Opleidingen

Online cursus Wet Fiscaal Kwalificatiebeleid Rechtsvormen (incl. aanpassing FGR)

Online cursus Vennootschapsbelastingplicht stichtingen & verenigingen

Masterclass Fiscale aspecten fusies & overnames

PE-Pitstop Emigratie van de aanmerkelijk belanghouder

Online cursus afwaarderen & kwijtschelden van vorderingen

AGENDA

Stoomcursus Erfrecht – Civiel en fiscaal – Het hele erfrecht in één dag! 

Fiscale AI-dag

Specialisatieopleiding Estate Planning

Basiscursus Estate planning

Masterclass Actualiteiten vermogensstructurering 2026

Masterclass Box 3 – Forfaitair stelsel met een Tegenbewijsregeling en de toekomst na 2028

Stoomcursus Vastgoedrekenen en -financieren

Masterclass verantwoord adviseren: Ethiek als kompas in de fiscaliteit

Masterclass Overdrachtsbelasting

Verdiepingscursus Tweetrapsmakingen opzetten en afwikkelen

Meer opleidingen

Footer

  • Fiscaal nieuws
  • Opleidingen
  • Kennisbank
  • Vacatures
  • Over ons
  • Adverteren op Taxence
  • NDFR
  • JES! (ESG producten)
  • Fiscaal en meer
  • Tax Talks
  • Register Estate Planners (REP)
  • Contact
  • Linkedin
  • X
  • Facebook
  • Aanmelden nieuwsbrief
  • Naar Lefebvre Sdu Webshop

Taxence is een uitgave van
Lefebvre Sdu
Maanweg 174
2516 AB Den Haag

Powered by Lefebvre Sdu

  • Disclaimer
  • Privacy Statement en Cookiebeleid
lefebvre SDU

Het laatste nieuws van
Taxence in je mail?

×