De Kennisgroep IBR Vpb & winst heeft een vraag beantwoord over de samenloop van artikel 15b Wet Vpb 1969 en de bij de bepaling van de tweede limiet in aanmerking te nemen kosten.
De in Nederland gevestigde vennootschap X BV ontvangt in 2025 een zakelijke rentebate ad € 1.100.000 over een lening verstrekt aan de met haar gelieerde, in het buitenland gevestigde vennootschap Y SA.
Op deze rentebaten is 10% (€ 110.000) buitenlandse bronbelasting ingehouden.
X BV heeft de lening aan Y SA gefinancierd met een lening opgenomen bij de eveneens met X BV gelieerde vennootschap Z Ltd. Daarover is X BV in 2025 een eveneens zakelijke rentelast ad € 1.000.000 verschuldigd. In 2025 is X BV naast de hiervoor beschreven rente nog € 3.000.000 aan andere rentelasten verschuldigd.
De onderhavige casus draait om de samenloop van de earningsstrippingmaatregel (artikel 15b Wet Vpb 1969) en de berekening van de zogenoemde tweede limiet (artikel 36, tweede lid, onderdeel b, Bvdb 2001).
Toepassing van artikel 15b
Het ‘saldo aan renten’ als bedoeld in artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969 bedraagt € 2.900.000 (€ 1.000.000 + € 3.000.000 -/- € 1.100.000).
Op basis van de feiten leidt toepassing van artikel 15b Wet Vpb ertoe dat een bedrag van € 700.000 aan rentelasten niet aftrekbaar is in het jaar 2025. Dit bedrag aan niet-aftrekbare rente wordt op grond van artikel 15b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 voortgewenteld naar het volgende jaar.
Berekening tweede limiet
Voor de vraag of X BV in aanmerking komt voor verrekening van de buitenlandse bronbelasting is onder meer de tweede limiet van belang, zie artikel 36 Bvdb 2001.
Ingevolge artikel 36, vierde lid, Bvdb 2001 geldt daarbij als maatstaf ‘interest verminderd met de daarmee verband houdende kosten’ (de zogenoemde netto-methode). In casu houden de aan Z Ltd betaalde rentelasten ad € 1.000.000 verband met de van Y SA ontvangen rentebaten ad € 1.100.000.
Op basis van artikel 36, tweede lid, onderdeel b, Bvdb 2001 wordt de tweede limiet in beginsel als volgt berekend (hierbij wordt gemakshalve aangenomen dat het hoogste vennootschapsbelastingtarief 25% bedraagt):
(€ 1.100.000 -/- € 1.000.000) x Vpb-tarief (25%) = € 25.000.
Dat betekent dat X BV in 2025 niet meer dan € 25.000 van de ingehouden buitenlandse bronbelasting ad € 110.000 kan verrekenen.
Het niet-verrekende deel ad € 85.000 wordt op de voet van artikel 37 Bvdb 2001 voortgewenteld naar het daaropvolgende jaar.
Vraag
Als gevolg van de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969 komt in 2025 bij X BV een bedrag ad € 700.000 aan rentelasten niet in aftrek. Heeft deze artikel 15b-correctie gevolgen voor het bij de berekening van de tweede limiet in 2025 in aanmerking te nemen bedrag aan rentelasten ad
€ 1.000.000?
Antwoord
Nee, in het onderhavige geval laat de artikel 15b-correctie de berekening van de tweede limiet ongemoeid.





Geef een reactie