De staatssecretaris van Financiën heeft besloten geen beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de toepassing van de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen (KBB).
De zaak betrof een belastingplichtige die in de jaren 2016 tot en met 2018 in Duitsland woonde en uitsluitend Nederlandse pensioenuitkeringen ontving. Hij stelde dat hij recht had op de status van kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, maar de Belastingdienst wees dit af omdat hij niet de vereiste inkomensverklaring volgens het voorgeschreven model had overgelegd.
Volgens de Nederlandse wetgeving was voor toepassing van de KBB-regeling destijds een door de buitenlandse belastingautoriteit ingevulde modelverklaring vereist. Het hof oordeelde echter dat deze wettelijke regeling moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht. Hoewel het volgens het hof is toegestaan om belastingplichtigen te verplichten bewijsstukken aan te leveren waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor de KBB-status is voldaan, mag de Belastingdienst daarbij niet uitsluitend vasthouden aan één specifiek bewijsdocument. Een te formalistische toepassing van de eis van een modelverklaring is volgens het hof in strijd met het Unierecht. Andere bewijsstukken moeten eveneens kunnen worden meegewogen als daarmee voldoende duidelijk en nauwkeurig kan worden vastgesteld dat aan de materiële voorwaarden is voldaan.
In deze zaak stond feitelijk vast dat de belastingplichtige met andere documenten voldoende had aangetoond dat hij aan alle inhoudelijke voorwaarden voor de KBB-status voldeed. Mede daarom ziet de staatssecretaris af van cassatie. Daarbij speelt ook een belangrijke rol dat de wetgeving per 1 januari 2026 is gewijzigd. Sindsdien is een inkomensverklaring niet langer een harde voorwaarde voor toepassing van de KBB-regeling. De inspecteur kan belastingplichtigen nu ook de mogelijkheid bieden om met andere bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voldoen. Wel blijft de inkomensverklaring het voorkeursbewijs.
De Belastingdienst zal de uitspraak van het hof als richtsnoer gebruiken bij de behandeling van aanslagen die nog niet onherroepelijk vaststaan. Voor reeds definitieve aanslagen heeft de uitspraak echter geen gevolgen. Nieuwe jurisprudentie en gewijzigd beleid vormen namelijk geen grond voor ambtshalve vermindering van onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen.





Geef een reactie