Het kabinet wil de belastingheffing in box 3 ingrijpend aanpassen en zo snel mogelijk overstappen naar een stelsel waarin vooral gerealiseerde vermogenswinsten worden belast. Daarvoor wordt een novelle ingediend op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Het kabinet noemt dit de snelste route naar een definitieve oplossing voor box 3 en wil daarmee ook tegemoetkomen aan kritiek vanuit beide Kamers op de vermogensaanwassystematiek. Volgens het kabinet moet de nieuwe aanpak daarnaast het investeringsklimaat versterken.
Vanaf 2028 circa 90 procent onder vermogenswinst
De belangrijkste wijziging is voorzien voor 2028. Vanaf dat jaar moet de vermogenswinstbelasting worden uitgebreid naar alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties. Daardoor valt volgens het kabinet ongeveer 90 procent van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder een vermogenswinstbelasting. Belasting wordt bij deze systematiek geheven over de gerealiseerde waardestijging.
Voor de overige vermogensbestanddelen wil het kabinet in 2030 de overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting maken. Bij de verdere uitwerking wordt ook gekeken naar een regeling voor landgoederen die onder de Natuurschoonwet vallen, waarbij de uitvoerbaarheid wordt meegewogen.
De overgang naar vermogenswinst leidt in de eerste jaren tot een budgettaire derving. Volgens de raming bedraagt het effect ruim 3 miljard euro in zowel 2028 als 2029. De dekking wordt daarom binnen box 2 en box 3 gezocht.
Heffingsvrij vermogen omlaag
Een belangrijk onderdeel van die dekking is een verlaging van het heffingsvrije vermogen. In 2027 wordt dit teruggebracht naar het niveau van 2020: 30.846 euro. Vanaf 2028 verandert de systematiek en komt er een heffingsvrij resultaat van 1.000 euro. Het kabinet geeft als voorbeeld dat een spaarder bij 2 procent rente over de eerste 50.000 euro vermogen daardoor geen belasting betaalt.
Daarnaast wordt in 2027 het forfait voor ‘overige bezittingen’ met 1,5 procentpunt verhoogd. Daaronder vallen ook huurinkomsten en voordelen uit het eigen gebruik van onroerende zaken.
Ook box 2 wordt ingezet om de plannen te financieren. Het tarief van de tweede schijf wordt vanaf 2027 voor vier jaar met 1,8 procentpunt verlaagd naar 29,2 procent. Daarmee wil het kabinet ondernemers stimuleren om vastzittend vermogen tegen een lager tarief uit hun onderneming te halen. Tegelijk wordt de mogelijkheid tot excessief lenen bij de eigen vennootschap stapsgewijs beperkt. De grens wordt in vijf jaarlijkse stappen van 80.000 euro teruggebracht tot 100.000 euro. Leningen voor de eigen woning blijven hiervan uitgezonderd.
Ambitieus tijdpad en uitvoeringsrisico’s
Het kabinet kiest voor een snelle parlementaire behandeling. De novelle moet vóór 31 december 2026 door de Eerste Kamer zijn aangenomen om het nieuwe stelsel in 2028 te kunnen invoeren. Daarom wil het kabinet spoedadvies vragen aan de Raad van State en de novelle laten meelopen met de behandeling van het Belastingplan.
Aan die snelheid zitten uitvoeringsrisico’s. In het eerste jaar wordt volgens het kabinet een groot beroep gedaan op zowel het doenvermogen van belastingplichtigen als de capaciteit van de Belastingdienst. Banken kunnen ten minste in het eerste jaar nog geen gegevens aanleveren voor de vooraf ingevulde aangifte. De precieze gevolgen daarvan moeten blijken uit de uitvoeringstoets van de Belastingdienst. Het kabinet zegt te proberen deze risico’s zoveel mogelijk te beperken.




Geef een reactie