Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat € 700.000 aan liquide middelen ondernemingsvermogen vormt voor de doorschuifregeling bij schenking van aandelen. Verhuurd vastgoed en een woning met ontwikkelplannen kwalificeren daarentegen als beleggingsvermogen.
Een man en zijn echtgenote bezitten alle aandelen in een bv die een belang van 45% houdt in een andere bv. Deze bv houdt zich onder meer bezig met machineverhuur en bezit daarnaast een pand met verhuurde bedrijfsruimtes en een verhuurde woning. In september 2020 vindt een juridische splitsing plaats, waarna in de bv naast de deelneming € 700.000 aan liquide middelen achterblijft. Diezelfde dag schenken de man en zijn echtgenote hun aandelen aan hun dochter. De man verzoekt om toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17c Wet IB 2001. De inspecteur wijst dit verzoek gedeeltelijk af. In geschil is welk deel van het vermogen als ondernemingsvermogen kwalificeert voor de doorschuifregeling.
Vastgoed is beleggingsvermogen
De rechtbank oordeelt dat het verhuurde bedrijfspand geen ondernemingsvermogen vormt. De werkzaamheden van onder meer een beheerder en interieurverzorger gaan niet verder dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat een hoger rendement wordt nagestreefd dan bij normaal vermogensbeheer. Voor de verhuurde woning geldt hetzelfde. Hoewel bij de aankoop plannen voor projectontwikkeling bestonden, heeft de bv zich niet actief ingezet om die ontwikkeling te realiseren. Zij was daarvoor afhankelijk van een buurman en verrichtte zelf geen ondernemingsactiviteiten. Zowel het bedrijfspand als de woning kwalificeert daarom als beleggingsvermogen.
Liquide middelen zijn ondernemingsvermogen
Voor de € 700.000 aan liquide middelen komt de rechtbank tot een ander oordeel. Uit notulen blijkt dat geld nodig was voor toekomstige vervangingsinvesteringen in het machinepark. In de jaren 2020 tot en met 2023 zijn vervolgens omvangrijke investeringen gedaan. Mede gelet op deze investeringen, de notulen en de boekhoudkundige verwerking acht de rechtbank aannemelijk dat het geld niet duurzaam overtollig was, maar was bedoeld en uiteindelijk is aangewend voor de materiële onderneming. Het bedrag kwalificeert daarom als ondernemingsvermogen voor de doorschuifregeling. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang wordt hierdoor verlaagd van € 681.872 naar € 192.415.
Wet: art. 4.12 en art. 4.17c Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-09-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9141, BRE 24/1496 | NDFR





Geef een reactie