Het kabinet kiest voorlopig geen beleidsrichting om grondslaguitholling door excessieve financieringsconstructies met aan derden verhuurd vastgoed tegen te gaan. Eerst moet duidelijk worden welke ruimte na de onderhandelingen over het Europese Omnibusvoorstel resteert voor nationale maatregelen.
De Belastingdienst heeft momenteel enkele tientallen excessief gefinancierde vastgoedvennootschappen in behandeling. Vanwege de beschikbare capaciteit kan niet elk signaal worden behandeld en ontbreekt een totaaloverzicht. Ook is niet altijd onderscheid te maken tussen situaties waarin meerdere entiteiten om bedrijfseconomische redenen worden aangehouden en situaties waarin fiscale overwegingen een rol spelen.
Het kabinet heeft drie beleidsopties onderzocht. Beleidsoptie 1 houdt in dat de drempel van € 1 miljoen in de earningsstrippingmaatregel niet mag worden toegepast als een belastingplichtige hoofdzakelijk deel uitmaakt van een concern. Deze optie raakt naar verwachting ongeveer 15.000 belastingplichtigen en wordt als ongericht en ondoelmatig beschouwd.
Beleidsoptie 3 meest doeltreffend
Bij beleidsoptie 2 wordt de drempel verlaagd naar € 200.000 voor vastgoedlichamen die in bepaalde mate zijn gefinancierd met leningen van verbonden lichamen. Ongeveer 1.000 belastingplichtigen worden hierdoor geraakt. De maatregel adresseert fragmentatie, maar biedt geen volledige oplossing voor grondslaguitholling in vastgoedbeleggingsstructuren.
Beleidsoptie 3 is volgens de staatssecretaris doeltreffender. Daarbij is rente op bepaalde schulden aan verbonden lichamen niet aftrekbaar, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. Naar verwachting worden circa 15.000 belastingplichtigen met de maatregel geconfronteerd, maar worden uiteindelijk ongeveer 500 belastingplichtigen daadwerkelijk geraakt. Daar staat een toename van complexiteit, administratieve lasten en uitvoeringslasten tegenover.
Europese onderhandelingen afwachten
Het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie voorziet onder meer in een verplichte drempel van € 3 miljoen. Daardoor zouden beleidsopties 1 en 2 niet mogelijk zijn. Ook kan het voorstel gevolgen hebben voor beleidsoptie 3.
Het kabinet wil daarom niet vooruitlopen op de onderhandelingen. Dit voorkomt dat nationale maatregelen snel moeten worden heroverwogen of aangepast en draagt volgens de staatssecretaris bij aan stabiel en voorspelbaar fiscaal beleid. Het kabinet zet zich er daarbij voor in dat flankerende nationale maatregelen mogelijk blijven.





Geef een reactie