Minister Vijlbrief informeert de Tweede Kamer over verschillende pensioenonderwerpen, waaronder de verrekening van pensioen met uitkeringen, de informatierechten van gepensioneerden bij internationale waardeoverdracht en buitenlandse pensioenuitvoerders. Ook loopt de evaluatie van werknemers zonder pensioen vertraging op.
Een van de onderwerpen betreft het verschil in behandeling tussen pensioenuitkeringen en ontslagvergoedingen uit een vaststellingsovereenkomst (VSO) binnen de socialezekerheidswetgeving. De minister deelt niet het standpunt dat dit leidt tot benadeling van mensen die pensioen hebben opgebouwd en tot strijd met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel . Pensioenuitkeringen en ontslagvergoedingen verschillen naar hun aard, doel en juridische behandeling en zijn daarom niet zonder meer als gelijke gevallen aan te merken.
Pensioenuitkeringen worden binnen de Werkloosheidswet (WW) aangemerkt als periodiek inkomen ter voorziening in het levensonderhoud en daarom met een WW-uitkering verrekend. Een eenmalige ontslagvergoeding blijft bij een WW-uitkering in beginsel buiten beschouwing, omdat deze wordt gezien als compensatie voor ontslag. Volgens de minister is de verschillende behandeling binnen het socialezekerheidsstelsel daarmee objectief gerechtvaardigd.
Informatierechten bij internationale waardeoverdracht
De minister gaat ook in op een oproep om de informatierechten van gepensioneerden bij internationale collectieve waardeoverdracht te versterken. De Europese IORP II-richtlijn bepaalt dat een meerderheid van deelnemers en pensioengerechtigden, of hun vertegenwoordigers, een overdracht moet goedkeuren. Ook moet informatie over de voorwaarden tijdig beschikbaar worden gesteld.
Volgens de minister bevatten de Europese en nationale regelgeving al diverse voorschriften voor het betrekken en informeren van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Nationale toezichthouders zien toe op de uitvoering. Aanvullende wet- en regelgeving om dit bestaande kader te versterken is volgens hem daarom niet nodig.
Buitenlandse pensioeninstellingen
Naar aanleiding van berichtgeving in de Financial Times gaat de minister daarnaast in op buitenlandse pensioenuitvoerders. Er wordt wetgeving voorbereid om een belemmering van het zogenoemde stichtingsvereiste weg te nemen. Dat vereiste moet niet gelden voor pensioeninstellingen uit een andere EU-lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Zij moeten wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en mogen geen uitkeringen aan oprichters doen.
De minister benadrukt dat het ook na aanpassing van de wet aan sociale partners is om een pensioenregeling af te spreken en te bepalen waar deze wordt ondergebracht. Daarbij moeten zij rekening houden met de belangen van deelnemers en gepensioneerden en de consequenties van onderbrenging bij een buitenlandse instelling beoordelen.
Tot slot is het CBS-onderzoek naar werknemers zonder pensioen over 2024 vertraagd doordat de benodigde gegevensaanlevering door pensioenfondsen niet volledig was. Publicatie wordt nu in het eerste kwartaal van 2027 verwacht. Daardoor kan ook de tussenevaluatie van de wettelijke reductiedoelstelling niet in 2026 naar de Kamer worden gestuurd. Na publicatie wordt bezien of aanvullende stappen nodig zijn om de doelstelling te behalen.
Bron: Verzamelbrief pensioenonderwerpen najaar 2026, nr. 2026 -0000214238, Ministerie SZW, 9 september 2026.





Geef een reactie