De Hoge Raad oordeelt dat een belastingplichtige en zijn partner een aanvankelijk gekozen onderlinge verdeling van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel mogen wijzigen zolang de navorderingsaanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Die mogelijkheid geldt niet alleen voor het inkomensbestanddeel waarop de navordering ziet.
Een weduwe en haar twee kinderen ontdekken na het overlijden van de man dat het echtpaar in de aangiften over 2018 een te hoge hypotheekrente heeft afgetrokken. Om dit recht te zetten, dienen zij herziene aangiften in met een lagere aftrek eigen woning. Daarbij veranderen zij ook de onderlinge toerekening van dat inkomensbestanddeel. In de oorspronkelijke, inmiddels onherroepelijke aanslagen IB/PVV is 26,65% aan de vrouw en 73,35% aan de (erven van de) man toegerekend; in de herziene aangiften kiezen zij voor 57,62 tegenover 42,38%. De inspecteur legt aan de erven en aan de echtgenote vervolgens navorderingsaanslagen over 2018 op. Hij gaat daarbij wel uit van de lagere aftrek, maar negeert de gewijzigde toerekening. In geschil is of de vrouw en de erven de onderlinge verdeling in het kader van de navordering nog mogen wijzigen.
Hof: verdeling mag worden gewijzigd
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een belastingplichtige en zijn partner op grond van artikel 2.17, lid 4 Wet IB 2001 een aanvankelijk gekozen onderlinge verhouding van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel mogen wijzigen tot het moment waarop zowel de (navorderings)aanslag van de belastingplichtige als die van de partner onherroepelijk vaststaat. De passage uit de parlementaire geschiedenis waarop de inspecteur zich beroept, heeft volgens het hof met ingang van 1 januari 2009 haar belang verloren. Die passage ziet namelijk op een per die datum vervallen zinsnede in de wettekst. Het hof oordeelt daarom dat de vrouw en de erven de verdeling van de belastbare inkomsten uit eigen woning mogen wijzigen op de wijze die zij in de herziene aangiften bepleiten. Het hof vermindert de navorderingsaanslag over 2018 vervolgens.
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof
Het middel van de staatssecretaris gaat ervan uit dat de mogelijkheid om de onderlinge verdeling te wijzigen alleen kan zien op het inkomensbestanddeel waarop de navorderingsaanslag betrekking heeft. Daarom zou die mogelijkheid niet gelden voor bestanddelen die in een onherroepelijk vaststaande aanslag zijn betrokken. De Hoge Raad verwerpt dat standpunt. De vrees dat belastingplichtigen langs deze weg een navordering kunnen uitlokken om zo de volledige verdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen te wijzigen, of alsnog rechtsherstel in box 3 te krijgen, dwingt niet tot een andere uitleg van de wet. Die consequentie doet zich bovendien alleen voor als de gewijzigde aangifte rechtvaardigt dat te weinig belasting is geheven. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Wet: Artikel 2.17 – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR
Bron: Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1288, 24/01208



Geef een reactie