Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat een ondernemingspensioenfonds met zijn basisregeling een verzekeringsdienst verricht. Daardoor geldt de btw-vrijstelling en bestaat geen recht op aftrek van voorbelasting.
Een stichting fungeert als ondernemingspensioenfonds voor (gewezen) werknemers van veertien werkgevers binnen één concern. Zij voert de pensioenregeling uit op basis van een pensioenreglement en uitvoeringsovereenkomsten met de werkgevers. De regeling kent een Basispakket (uitkeringsovereenkomst) en een Beleggingspakket (premieovereenkomst). Het geschil gaat alleen over het Basispakket. In het tweede kwartaal van 2020 brengt het fonds btw in aftrek op kosten voor onder meer pensioenbeheer, actuariële en juridische diensten. De inspecteur weigert die aftrek, behalve voor een beperkt deel dat samenhangt met effectentransacties buiten de EU. Volgens het fonds verricht het belaste administratieve diensten aan werkgevers; de inspecteur ziet een vrijgestelde verzekeringsdienst.
Pensioenfonds neemt risico op zich
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch volgt de inspecteur. Het fonds is niet slechts uitvoerder, maar verantwoordelijk voor de volledige uitvoering van het pensioenreglement. Het neemt daarmee het risico op zich dat bij het intreden van het verzekerde risico (ouderdom of overlijden) een uitkering moet worden gedaan. Dat risico is vergelijkbaar met dat van een verzekeraar. Dat het fonds (gedeeltelijk) herverzekert of dat theoretisch premie niet vooraf wordt betaald, doet hier niet aan af. Voorafgaande premiebetaling is het uitgangspunt; incidenteel niet-betalen tast het verzekeringskarakter niet aan.
Rechtsbetrekking met deelnemers bestaat
Het hof ziet ook een rechtsbetrekking tussen het fonds en de deelnemers. De werknemer bouwt tijdens deelname afdwingbare pensioenrechten op jegens het fonds. Die band volgt uit het pensioenreglement, de uitvoeringsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Dat premies via de werkgever lopen, is niet doorslaggevend. De dienst kwalificeert daarom als handeling ter zake van verzekering en valt onder de btw-vrijstelling. Het hoger beroep faalt en aftrek van de resterende voorbelasting blijft uitgesloten.
Wet: art. 11, lid 1, onderdeel k, Wet OB 1968
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3541, 24/428 | NDFR





Geef een reactie