Een bv die trapliften levert aan particulieren en gemeenten moet het algemene btw-tarief toepassen. Trapliften zijn niet soortgelijk aan invalidenwagentjes of mechanische traploophulpen en vallen daarom niet onder het verlaagde btw-tarief.
Een bv verkoopt diverse modellen trapliften aan particulieren en aan gemeenten in het kader van de WMO. Tot maart 2021 rekent de bv het algemene btw-tarief. Na een gegrond bezwaar tegen de voldoening over september 2020 erkent de inspecteur op 15 mei 2021 het verlaagde btw-tarief. De bv past vanaf die datum het verlaagde tarief toe. In september 2021 trekt de inspecteur dit standpunt in, onder verwijzing naar een nieuw Besluit Omzetbelasting waarin staat dat trapliften niet met traploophulpen vergelijkbaar zijn. De inspecteur geeft een overgangstermijn tot eind oktober 2021. Over mei 2022 legt de inspecteur een naheffingsaanslag op van € 52.598 en een verzuimboete van € 1.577. De bv gaat hiertegen in beroep.
Trapliften niet soortgelijk aan invalidenwagentjes
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de implementatie van het verlaagde btw-tarief in Tabel I, post a.34 (invalidenwagentjes, invalidenkrukken, sta-opstoelen en hooglaagbedden) voldoende objectief, duidelijk en nauwkeurig is. Het neutraliteitsbeginsel vereist dat soortgelijke goederen gelijk worden behandeld. Goederen zijn soortgelijk wanneer zij uit het oogpunt van de gemiddelde consument onderling uitwisselbaar zijn. Trapliften en invalidenwagentjes zijn volgens het hof niet uitwisselbaar. Een traplift is beperkt tot verticaal vervoer over de trap en verbonden aan een specifieke trap. Een invalidenwagentje is juist bedoeld voor horizontaal vervoer binnen- en buitenshuis. Ook traplopende rolstoelen maken dit verschil niet weg. Het niet toepassen van het verlaagde tarief op trapliften schendt daarom het neutraliteitsbeginsel niet.
Ook niet soortgelijk aan mechanische traploophulpen
De Toelichting op Tabel I stelt mechanische traploophulpen gelijk aan looprekken en brengt deze onder het verlaagde tarief. Het hof oordeelt dat dit goedkeurend beleid betreft dat beperkt moet worden uitgelegd. Een traplift verschilt wezenlijk van een traploophulp: een traploophulp ondersteunt de eigen loopfunctie, terwijl iemand op een traplift zit en de traplift de loopfunctie overneemt. Een traploophulp is mechanisch, een traplift elektrisch aangedreven. Bovendien blijkt uit de Toelichting expliciet dat de staatssecretaris trapliften niet onder het verlaagde tarief wil brengen. De bv kan zich ook niet met succes beroepen op een langere overgangstermijn. De investeringsovereenkomsten voor ontwikkeling van een nieuwe traplift zijn gesloten door andere concernvennootschappen en betreffen inkoop van diensten, geen verkoopovereenkomsten met afnemers waarbij de bv verplicht is het verlaagde tarief te hanteren.
Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 9 lid 2 sub a en Tabel I, post a.34 Wet OB 1968
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7998, 24/1260 | NDFR





Geef een reactie