Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de dga van een holding-bv in 2019 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 116.324 heeft genoten. De rechtstreekse betaling uit de agioreserve is een verkapte uitdeling door de holding, die de dga niet ongedaan maakt met herstelacties in 2023.
De dga is enig bestuurder en aandeelhouder van een holding-bv. Die holding is op haar beurt enig aandeelhouder van een uitzendbureau-bv. In oktober 2019 besluit de algemene vergadering van aandeelhouders van de holding tot een uitkering van € 116.324 uit de agioreserve van het uitzendbureau. Het uitzendbureau doet aangifte dividendbelasting zonder inhouding en maakt het bedrag rechtstreeks over aan de dga. In zijn oorspronkelijke aangifte IB/PVV 2019 geeft de dga dit bedrag niet aan, maar in een herziene aangifte uit 2022 verantwoordt hij € 116.324 als inkomen uit aanmerkelijk belang. De inspecteur legt daarop een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op. In 2023 probeert de dga de uitkering alsnog om te zetten in een onbelaste kapitaalterugbetaling. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is en of de dga in 2019 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten.
Verkapte uitdeling is regulier voordeel
Uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders en de aangifte dividendbelasting blijkt dat het uitzendbureau € 116.324 aan de holding heeft uitgekeerd. De dga trad daarbij op als notulist en voorzitter en ondertekende de aangifte dividendbelasting. De holding laat dit bedrag, waarop zij als enig aandeelhouder recht heeft, rechtstreeks toekomen aan haar enig aandeelhouder, de dga. Zo’n verkapte uitdeling is belast als aan twee voorwaarden is voldaan: er vindt een vermogensverschuiving naar de aandeelhouder plaats met de bedoeling hem te bevoordelen, en zowel de holding als de dga was zich daarvan bewust of had dat moeten zijn. Volgens het hof is aan beide voorwaarden voldaan. Het hof vindt hiervoor onder meer steun in de herziene aangifte van 2022, waarin de dga het bedrag zelf als voordeel uit aanmerkelijk belang opgaf en in het feit dat het winstgevende uitzendbureau een oplopende winstreserve had.
Herstel in 2023 helpt de dga niet
De dga betoogt dat het in 2019 de bedoeling was hem een onbelaste uitkering uit de agioreserve te doen toekomen. Voor zo’n onbelaste terugbetaling van kapitaal moet volgens art. 4.13 Wet IB 2001 vóór de uitkering de algemene vergadering van aandeelhouders daartoe hebben besloten en moet de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag zijn verminderd. In 2019 is aan geen van beide voorwaarden voldaan. De herstelacties van juni 2023 baten de dga niet: die vinden plaats in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau, namelijk bij het uitzendbureau in plaats van bij de holding. Ook het beroep op dwaling faalt, omdat de terugwerkende kracht van een civielrechtelijke vernietiging fiscaal niet geldt. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Wet: Artikel 4.12 – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR en Artikel 4.13 – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR
Bron: Hof Den Haag 30 juni 2026 (gepubliceerd 27 juli 2026), ECLI:NL:GHDHA:2026:2169, BK-25/842
Verdiepingscursus DGA-advisering | PE Accreditatie
Als dga-adviseur ken je de directeur-grootaandeelhouder in al zijn hoedanigheden en heb je een advies paraat voor de meest voorkomende adviesthema’s. Maar hoe kan jij je advies nog verder optimaliseren? Hoe zet jij de volgende stap in je rol als trusted advisor van de dga?
In deze opleiding geven vier ervaren specialisten hun tips en tricks over hoe advieskansen te herkennen en optimaal te benutten. Zij nemen je aan de hand van casuïstiek mee in de praktische begeleiding van de dga op alle relevante adviesthema’s:
- Optimale houdsterstructuur
- Aanmerkelijk belang
- Gebruikelijk loon & Sociale verzekeringsplicht
- Lenen van en aan de bv
- Vermogensstructurering
- Huwelijk & Echtscheiding
- Pensioen
- Bedrijfsoverdracht





Geef een reactie