De Hoge Raad oordeelt dat een voorwaardelijke betalingsverplichting niet op de fiscale balans mag worden gepassiveerd. Ook oprentingslasten en valutaresultaten blijven buiten aanmerking zolang de verplichting niet onvoorwaardelijk is.
Een vennootschap (X S.à.r.l., rechtsopvolger van een nv) krijgt voor de jaren 2015 en 2016 aanslagen vpb opgelegd. De zaak draait om een fusieovereenkomst waarbij de vennootschap de betalingsverplichting op zich neemt voor aandelen die haar kleindochtermaatschappij zal verkrijgen. Die verplichting is afhankelijk van opschortende voorwaarden en wordt pas definitief bij toekomstige onzekere gebeurtenissen buiten de macht van partijen. De vennootschap wil deze verplichting al eerder op de fiscale balans opnemen en daarbij jaarlijks oprentingslasten en valutaresultaten verwerken. De inspecteur weigert dit. In geschil is of deze voorwaardelijke betalingsverplichting kan worden gepassiveerd als schuld of voorziening.
Geen schuld vóór vervulling voorwaarde
De Hoge Raad oordeelt dat een betalingsverplichting fiscaal pas meetelt zodra sprake is van een juridisch afdwingbare verplichting. Bij een opschortende voorwaarde ontstaat die afdwingbaarheid pas na vervulling van de voorwaarde. Zolang dat niet het geval is, kan geen schuld op de balans worden opgenomen. Dat betekent dat de vennootschap de verplichting voor de jaren 2015 en 2016 niet mag passiveren. De klachten tegen het oordeel van het hof falen op dit punt.
Ook geen voorziening of neveneffecten
Volgens de Hoge Raad kan de verplichting ook niet als voorziening worden opgenomen. Een voorziening is alleen mogelijk voor toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in het verleden én aftrekbaar zijn. De toekomstige betaling kwalificeert hier echter als een informele kapitaalstorting en verhoogt de kostprijs van de deelneming. Daardoor ontbreekt een aftrekbare last. Om die reden mogen ook de oprentingslasten en ongerealiseerde valutaresultaten niet in aanmerking worden genomen. Het beroep in cassatie is ongegrond.
Wet: art. 8 Wet Vpb 1969 en art. 3.25 Wet IB 2001
Bron: Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:397, 23/04451 | NDFR





Geef een reactie