Bij het oversluiten van een hypotheek moet rekening worden gehouden met de resterende looptijd van de oude lening. Een later herstel van de looptijd werkt niet terug voor de renteaftrek in box 1.
Een man is sinds 2014 eigenaar van een woning die hij samen met zijn toenmalige partner bewoont. De aankoop financiert hij met een hypothecaire lening bij Florius met een looptijd tot 1 januari 2045. In november 2021 sluit hij deze lening over naar een nieuwe hypotheek bij ASR met een looptijd tot 1 december 2051. In zijn aangifte ib/pvv 2021 brengt hij de rente en financieringskosten van deze lening in aftrek. De inspecteur weigert de aftrek voor zover die ziet op de ASR-lening, omdat de looptijd te lang is. De man stelt dat dit later is hersteld: in 2024 wordt de lening aangepast en teruggebracht naar een einddatum in 2045. In geschil is of de rente en financieringskosten in 2021 alsnog aftrekbaar zijn.
Looptijd moet bij oversluiten direct kloppen
Rechtbank Noord-Nederland stelt vast dat bij het oversluiten van een eigenwoningschuld de nieuwe lening maximaal de resterende looptijd van de oude lening mag hebben. Dat volgt uit art. 3.119a en 3.119c Wet IB 2001. In 2021 is bij het oversluiten geen rekening gehouden met de reeds verstreken looptijd sinds 2014. De nieuwe lening bij ASR had daardoor een te lange looptijd en kwalificeert in dat jaar niet als eigenwoningschuld. Dat partijen het daarover eens zijn, helpt de man niet verder. Volgens de rechtbank moeten de aflossingsverplichtingen en de juiste looptijd al bij het aangaan van de lening contractueel zijn vastgelegd.
Geen herstel met terugwerkende kracht
De latere aanpassing van de lening in 2024 kan de man niet baten. Die wijziging werkt niet terug naar 2021, ook al stond de aanslag toen nog niet onherroepelijk vast. De wet biedt geen ruimte voor een gedeeltelijke aftrek van financieringskosten naar rato van de ‘juiste’ looptijd. Wel erkent de inspecteur dat de aanslag enkele onvolkomenheden bevat. Daarom verlaagt de rechtbank het belastbaar inkomen uit werk en woning. Het beroep is formeel gegrond, maar de rente en financieringskosten blijven terecht geweigerd.
Wet: art. 3.119a en art. 3.119c Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 08-01-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:30, LEE 25/955 | NDFR





Geef een reactie