Rechtbank Den Haag oordeelt dat de kwijtschelding van een ouderlening voor de eigen woning niet onder de verhoogde schenkvrijstelling valt. De lening is aflossingsvrij en vormt daarom geen eigenwoningschuld.
Een vrouw ontvangt op 6 december 2020 een schenking vrij van recht van € 103.643 van haar ouders. Het gaat om een gedeeltelijke kwijtschelding van een lening die zij in 2016 bij haar ouders heeft afgesloten voor de aankoop van haar eigen woning. De ouders maken het geld destijds rechtstreeks over naar de derdenrekening van de notaris. De lening heeft volgens de conceptakte een looptijd van 30 jaar, is verzekerd met een recht van eerste hypotheek en is aflossingsvrij. In de aangifte schenkbelasting 2020 doet de vrouw een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling voor de eigen woning. De inspecteur weigert die vrijstelling, maar past in bezwaar wel de gewone eenmalig verhoogde vrijstelling toe. In geschil is of de verhoogde vrijstelling toch geldt, vooral vanwege gewekt vertrouwen door het aangifteformulier.
Geen eigenwoningschuld
De rechtbank oordeelt dat de verhoogde vrijstelling niet van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat de ouderlening geen eigenwoningschuld is in de zin van artikel 3.119a Wet IB 2001. De lening is namelijk aflossingsvrij en voldoet daardoor niet aan de wettelijke aflossingseis. Omdat de kwijtschelding alleen onder de eigenwoningvrijstelling kan vallen als de lening kwalificeert als eigenwoningschuld, past de inspecteur de wet juist toe. De vrouw kan de verhoogde vrijstelling daarom niet krijgen voor de schenking in 2020.
Geen vertrouwen door aangifte
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De vrouw stelt dat het aangifteformulier schenkbelasting 2020 en de toelichting de indruk wekken dat de vrijstelling geldt. De rechtbank volgt dat niet. In de toelichting staan de fiscale begrippen ‘eigen woning’ en ‘eigenwoningschuld’. Van iemand die een forse vrijstelling wil toepassen, mag worden verwacht dat zij onderzoekt wat die begrippen betekenen. Dan was duidelijk geweest dat een aflossingsvrije lening niet voldoet aan de voorwaarden. Ook bevat het aangifteformulier geen bevestiging dat aan de voorwaarden is voldaan. Het beroep is ongegrond.
Wet: art. 33 SW 1956 en art. 3.119a Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Den Haag, 13-05-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12696, SGR 25/8911 | NDFR





Geef een reactie