Een market maker in financiële instrumenten mag voor de btw-aftrek van gemengde kosten het bruto handelsresultaat als vergoeding hanteren, naar analogie van deviezentransacties. De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nader onderzoek.
Een fiscale eenheid maakt deel uit van een internationaal concern en houdt zich via een tot haar behorende bv bezig met market making: de handel in financiële instrumenten op effectenbeurzen. De bv geeft doorlopend bied- en laatkoersen af op platforms zoals Euronext en verdient aan de spread tussen koop- en verkoopprijzen. Daarnaast verricht de bv diensten aan dochtermaatschappijen in Singapore, Hong Kong en de Verenigde Staten, waarvoor zij TNMM-vergoedingen en zogenoemde RPSM-betalingen ontvangt. Voor de aftrek van voorbelasting op gemengde kosten golden afspraken met de inspecteur tot en met 2015, gebaseerd op handelsvolumes. De fiscale eenheid wil de TNMM-vergoedingen en RPSM-betalingen ook meenemen in de verdeelsleutel. De inspecteur weigert dit.
Hof miskent standpunt fiscale eenheid over bruto handelsresultaat
Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de fiscale eenheid onvoldoende cijfermatige informatie heeft aangeleverd en laat open of de RPSM-betalingen vergoedingen vormen voor diensten. De Hoge Raad casseert dit oordeel. Het hof heeft miskend dat de fiscale eenheid zich ook zonder de verlopen afspraken op het standpunt heeft gesteld dat de vergoedingen voor effectentransacties kunnen worden bepaald op basis van het bruto handelsresultaat, naar analogie van het HvJ-arrest First National Bank of Chicago (1998) over deviezentransacties. Het hof had dit standpunt moeten beoordelen en had moeten onderzoeken hoe het aandeel van buiten de EU gevestigde afnemers kan worden vastgesteld.
Bewijs vestigingsplaats afnemers mag via schatting
De Hoge Raad geeft het verwijzingshof mee dat de fiscale eenheid vrij is in de keuze van bewijsmiddelen om de vestigingsplaats van haar afnemers aannemelijk te maken. Omdat het per afnemer vaststellen van de vestigingsplaats feitelijk onmogelijk is, mag de verhouding EU/niet-EU ook worden aangetoond via redelijke schattingen, mits gebaseerd op nauwkeurige, betrouwbare en actuele gegevens. Hof Den Haag moet beoordelen welk deel van de afnemers buiten de EU is gevestigd en of de RPSM-betalingen kwalificeren als vergoedingen voor diensten aan de dochtermaatschappijen.
Wet: art. 11, lid 1, letter i en art. 15, lid 2, letter c Wet OB 1968
Bron: Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:281, 23/02418 | NDFR





Geef een reactie