Rechtbank Gelderland oordeelt dat een transport-bv geen recht heeft op aftrek van voorbelasting op facturen van een gelieerde bv. De inspecteur maakt aannemelijk dat de bv deels niet de afnemer is en dat deels geen prestaties zijn verricht.
Een transport-bv verricht vrachtvervoer voor diverse opdrachtgevers. Het grootste deel van de omzet hangt samen met ritten voor PostNL via een gelieerde vof van de tante van de bestuurder. Een andere gelieerde bv, van de vader van de bestuurder, verricht ook diensten voor die vof. Op 31 oktober 2018 legt de ontvanger derdenbeslag onder de vof vanwege belastingschulden van die bv. Daarna stuurt de bv facturen met omzetbelasting aan de transport-bv. Op 16 november 2018 neemt de transport-bv het personeel en de leasecontracten van het wagenpark van de bv over. De inspecteur legt over 2018 en 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting op. In geschil is of de inspecteur de aftrek van € 35.007 aan voorbelasting op de facturen van de bv terecht weigert.
Afnemer niet aannemelijk
De rechtbank stelt voorop dat een factuur op naam van de transport-bv in beginsel een bewijsvermoeden oplevert dat zij afnemer is. De inspecteur ontzenuwt dat vermoeden. Tot het derdenbeslag factureerde de bv haar PostNL-werkzaamheden aan de vof. Kort na het beslag worden de facturen ineens aan de transport-bv gestuurd, terwijl geen wijziging in de rechtsbetrekkingen is onderbouwd. De drie partijen zijn bovendien gelieerd via vader, zoon en tante en gevestigd op hetzelfde adres. Daardoor hebben de facturen minder bewijskracht dan facturen tussen onafhankelijke partijen. De transport-bv legt geen stukken of verifieerbare gegevens over waaruit blijkt welke afspraken zij met de bv heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt daarom dat de voorbelasting op de facturen tot en met 3 december 2018 niet aftrekbaar is.
Geen prestaties na overgang
Ook de voorbelasting op facturen vanaf 9 december 2018 is niet aftrekbaar. Die facturen zien op ritten na 16 november 2018, terwijl het personeel en materieel van de bv toen al waren overgedragen aan de transport-bv. De rechtbank vindt daarom niet aannemelijk dat de bv in die periode nog transportprestaties aan de transport-bv heeft verricht. De stelling dat personeel werd ingeleend, helpt niet. De bv had geen personeel meer en de facturen vermelden gereden ritten. Ook de factuur voor een oplegger en de factuur voor telefoonkosten en track&trace leveren geen aftrek op, omdat levering of prestatie niet aannemelijk is gemaakt. Het beroep is ongegrond en de naheffingsaanslag blijft in stand.
Wet: art. 2, art. 15-1 en art. 35 Wet OB 1968
Bron: Rechtbank Gelderland, 17-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2049, ARN 24_4492 | NDFR





Geef een reactie