De rechtbank oordeelt dat een pensioenfonds met een CDC-regeling geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is. De deelnemers dragen namelijk geen (voldoende) beleggingsrisico, waardoor de btw-vrijstelling niet geldt.
Een nv verricht in het derde kwartaal van 2017 beheersdiensten aan een pensioenfonds en voldoet hierover € 90.103 aan omzetbelasting. Zij maakt bezwaar, omdat zij meent dat het pensioenfonds kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, waardoor de beheersdiensten zijn vrijgesteld van btw. Het pensioenfonds voert een collectieve defined contribution-regeling (CDC) uit, waarbij werknemers pensioen opbouwen op basis van hun salaris en dienstjaren. De premie is vast en werkgevers hoeven niet bij te storten. Indexatie en kortingen zijn afhankelijk van de financiële positie van het fonds. In geschil is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen en of daarom de btw-vrijstelling van toepassing is.
Geen doorslaggevend beleggingsrisico
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de deelnemers geen beleggingsrisico dragen zoals bedoeld in de btw-richtlijn en het BPL Pensioen-arrest. De pensioenrechten zijn namelijk primair gebaseerd op salaris en dienstjaren en niet op beleggingsresultaten. Dat pensioenopbouw kan worden verlaagd bij tegenvallende premie of dat indexatie afhankelijk is van rendement, maakt dit niet anders. Deze elementen hebben volgens de rechtbank onvoldoende invloed om te zeggen dat de uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk zijn van beleggingen. Ook het feit dat beleggingen een groot deel van de financiering vormen, is niet doorslaggevend. De nv slaagt daarom niet in haar bewijslast.
Geen beroep op neutraliteitsbeginsel
Ook het beroep op het neutraliteitsbeginsel faalt. De rechtbank vindt de CDC-regeling niet vergelijkbaar met een individuele DC-regeling. Bij een DC-regeling hangt het pensioen sterk af van beleggingen en draagt de deelnemer het risico. In deze zaak heeft de deelnemer juist een aanspraak op een pensioenuitkering gebaseerd op loon en diensttijd. Dat verschil is volgens de rechtbank wezenlijk. Daarom is geen sprake van vergelijkbare prestaties die gelijk moeten worden behandeld. Het beroep is ongegrond en de betaalde btw blijft verschuldigd.
Wet: art. 11 lid 1 onderdeel i Wet OB 1968
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 23-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2034, AWB – 20 _ 2729 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie